De paniekstoornis bij adolescenten: oorzaken en behandeling


Publicatie datum:

Dit artikel geeft inzicht in de oorzaken (etiologie) van de paniekstoornis bij adolescenten en de behandelingmogelijkheden. Het artikel is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur.

Gesponsorde koppelingen

In mijn vorige artikel 'de paniekstoornis bij adolescenten: symptomen en diagnostiek' zijn de symptomen van de paniekstoornis bij adolescenten beschreven en is uiteengezet hoe de paniekstoornis te diagnosticeren is bij deze doelgroep. De volgende stap in het diagnostisch onderzoek is het zoeken naar mogelijke factoren die de problematiek hebben veroorzaakt, en of er factoren zijn die de problemen in stand houden of verergeren. Aan de hand van deze informatie en de specifieke problematiek van de adolescent, kan vervolgens achterhaald worden wat de meest optimale behandeling voor deze persoon is. In dit artikel zal daarom, na een uiteenzetting van mogelijke oorzaken van de paniekstoornis, in worden gegaan op behandelmethoden die volgens wetenschappelijk onderzoek het meest effectief zijn. Er zal worden afgesloten met aanbevelingen voor toekomstig onderzoek naar de paniekstoornis bij adolescenten.

Gesponsorde koppelingen

Om de oorzaken van een paniekstoornis vast te stellen is een cognitief model ontwikkeld dat ervan uitgaat dat een paniekstoornis de uitkomst vormt van een misinterpretatie van lichamelijke reacties. Hierbij ervaart de persoon zijn lichaamssignalen als gevaarlijker dan dat ze daadwerkelijk zijn. (Doerfler, Connor, Volungis, & Toscano, 2006). Zo kan een verhoogd hartritme door een persoon geinterpreteerd worden als het begin van een hartaanval. Deze foutieve gedachten veroorzaken veel angst waardoor het lichaam heftig reageert. Dit kan zich uiten in transpiratie en ademhalingsproblemen. Mogelijk speelt het mechanisme van contextuele angst conditionering een rol bij de misinterpretatie van somatische symptomen (Gorman, Kent, Sullivan, & Coplan, 2000) Veel patiënten zijn zeer kwetsbaar voor kleine lichamelijke reacties zoals milde duizeligheid of een lichte tinteling in een ledemaat. Wanneer een voorgaande paniekaanval met een bepaald symptoom begon, kan dit symptoom voortaan geïnterpreteerd worden als het begin van een nieuwe paniekaanval. Hierdoor kunnen somatische sensaties als een geconditioneerde context gaan functioneren waardoor de paniek wordt ontketend (Gorman et al., 2000). Naast de conditionering van somatische sensaties maken patiënten ook vaak een associatie met de plek waar een paniekaanval is ontstaan. Zo kan een paniekaanval zich voordoen in de auto waar geen directe hulp beschikbaar is. Het is mogelijk dat de patiënt deze ervaring van paniek generaliseert naar elke situatie waar niet automatisch hulp beschikbaar is (Gorman et al., 2000).

Sinds bekend is dat niet alleen volwassenen, maar ook kinderen en adolescenten gediagnosticeerd kunnen worden met een paniekstoornis, is er onderzoek op gang gekomen met de vraag of de oorzaak van paniek verschilt bij kinderen, adolescenten en volwassenen. (Doerfler et al., 2006). Een centraal aspect bij dit onderzoek is de vraag of deze doelgroep al de cognitieve capaciteit bezit om catastrofe attributies te maken die karakteristiek zijn voor paniek. Doerfler et al (2006) concluderen in hun onderzoek dat adolescenten geneigd zijn aan te nemen dat lichamelijke reacties een interne oorzaak hebben. Zij concluderen dat de kans groot is dat adolescenten een paniekstoornis ontwikkelen omdat zij in staat zijn de interne catastrofe attributies te maken die noodzakelijk zijn voor de diagnose van de paniekstoornis (Doerfler et al., 2006).

Daarnaast zouden situationele problemen die stress veroorzaken, zoals persoonlijke conflicten, ziektes, financiële moeilijkheden, een dreiging tot scheiding of verlies een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van een paniekstoornis (Manfro et al., 1996). In een studie met een populatie van 223 respondenten wordt dit bevestigd. Manfro et al (1996) hebben onderzocht of er een verband is tussen stressvolle gebeurtenissen en een paniekstoornis. 80% van de patiënten met een paniekstoornis rapporteerde heftige stress door gebeurtenissen in het leven in de afgelopen 12 maanden. De meeste patiënten geloofden dat de stressvolle gebeurtenissen een oorzaak van de paniekstoornis waren. Het aantal stressvolle gebeurtenissen die volgens de patiënten de paniekstoornis veroorzaakten, was hoger bij mensen die in hun kindertijd angstproblemen hadden ervaren. Dit kan betekenen dat deze individuen kwetsbaarder zijn aangelegd voor de effecten van negatieve ervaringen. Zij hebben mogelijk de neiging meer te letten op negatieve gebeurtenissen, te overreageren, of stress eerder aan negatieve gebeurtenissen toe te schrijven. Mensen met een paniekstoornis hoeven dus niet altijd meer negatieve gebeurtenissen mee te maken dan mensen zonder de stoornis, maar deze gebeurtenissen zijn voor hen stressvoller, oncontroleerbaarder en onwenselijker en hebben daardoor een negatievere impact op hun leven (Manfro et al, 1996).
Net als Manfro et al (2006), suggereren ook Gorman et al (2000) dat patiënten met een paniekstoornis aanleg hebben voor een kwetsbaar angstnetwerk. Betrokken bij dit kwetsbare angstmechanisme in het centrale zenuwstelsel zijn de amygdala, hippocampus, thalamus, hypothalamus en andere hersenstamdelen (Gorman et al., 2000). Mogelijk is een verhoogde neiging om angst te voelen erfelijk bepaald. Een verhoogde neiging om angst te voelen kan gezien worden als een neurocognitief tekort wat zich uit in een abnormale of afwijkende reactie op angst (Gorman et al., 2000).

Hoewel bekend is dat stressvolle gebeurtenissen in relatie staan met de ontwikkeling van een paniekstoornis, is er weinig bekend over de mechanismen van een stressvolle gebeurtenis die kunnen lijden tot de manifestatie van een paniekstoornis (Ogliari et al., 2009). Uit onderzoek blijkt dat negatieve gebeurtenissen de individuele reactiviteit op koolstofdioxide beïnvloeden. De meerderheid van de mensen die gediagnosticeerd is met een paniekstoornis reageert op een rijke CO2 lucht met een plotselinge verhoging in ventilatie en angst. Uit onderzoek naar de relatie tussen negatieve gebeurtenissen, vroegere gebeurtenissen en koolstofdioxide reactiviteit, vonden Ogliari et al (2009) dat vroege negatieve gebeurtenissen, zoals het verlies van een ouder of de angst voor separatie, een significant doch bescheiden effect hebben op de kwetsbaarheid voor hypercapnische. Dit is een conditie waarbij er teveel CO2 in het bloed is. Hoewel individuele verschillen in reacties op CO2 erfelijk zijn, verklaren omgevingsfactoren ook een proportie van de variatie in individuen.

Geconcludeerd kan worden dat er zowel biologische, cognitieve als omgevingsoorzaken zijn die kunnen leiden tot de ontwikkeling van een paniekstoornis. Onderzoek heeft aangetoond dat zowel erfelijke factoren als stressvolle gebeurtenissen in het leven, met name in de vroege kindertijd, verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van een paniekstoornis.

Behandeling
Bij de behandeling van de paniekstoornis bij adolescenten kan gebruik gemaakt worden van de Adolescent Panic Control Treatment With In-Vivo Exposures (AVE). Deze behandeling is zeer intensief en duurt acht dagen. Wanneer de week van behandeling is vastgesteld, stuurt de therapeut psycho-educatief materiaal uit het APE werkboek naar de adolescent. Voordat de eerste bijeenkomst plaatsvindt, wordt de adolescent geïnstrueerd om delen van het werkboek door te nemen met betrekking tot de etiologie van een paniekstoornis, het verloop van een paniekaanval en diagnostische informatie over een paniekstoornis (Angelosante, Pincus, Whitton, Cheron, & Pian, 2009). De therapeut helpt de adolescent nieuwe vaardigheden aan te leren en te gebruiken en adviseert de adolescent hoe hij deze vaardigheden ten volle kan benutten in situaties die paniek uitlokken. Ook tijdens de therapie moet de adolescent informatie uit het werkboek blijven lezen. Deze informatie helpt de adolescent zich voor te bereiden op de therapie en vormt een overzicht van informatie wanneer de therapie beëindigd wordt. Uit onderzoek blijkt dat de AVE een nuttige en acceptabele vorm van behandeling is voor de paniekstoornis bij adolescenten. Adolescenten die deze behandeling hebben ervaren, rapporteren significante verbeteringen in hun panieksymptomen. Veel adolescenten die deze behandeling hebben gevolgd, participeren weer in belangrijke ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van school, sport en sociale evenementen (Angelosante et al., 2009).

Naast de AVE kan ook de Panic Control Treatment (PCT) gebruikt worden om een paniekstoornis te behandelen. De PCT is een cognitieve behandeling die bestaat uit de blootstelling aan lichaamssensaties die gepaard gaan met paniek, de blootstelling aan angstige situaties en ademhalingstraining (Hoffman & Mattis, 2000). Ollendick (1995) heeft de PCT in zijn onderzoek bij vier adolescenten gecombineerd met andere cognitieve gedragsbehandelingen. De behandeling in zijn onderzoek bestaat uit het verlenen van informatie betreffende de oorzaak van paniek, progressieve spierrelaxatie en ademhalingstraining, het aanleren van zelfinstructie technieken en de blootstelling aan angstige situaties. Na de behandeling waren de adolescenten beter in staat tot zelfrapportage over hun angsten en depressies en vermeden zij significant minder vaak angstige situaties. Geen van de adolescenten voldeed na de behandeling nog aan de diagnostische criteria voor de paniekstoornis (Ollendick, 1995). Hoffman en Mattis (2000) pasten de PCT aan voor het gebruik bij adolescenten. Het resultaat hiervan is de Panic Control Treatment for Adolescents (PCT-A). De behandeling omvat dezelfde aspecten als de oorspronkelijke PCT en is toegepast op twee adolescenten. Beide adolescenten toonden een significante vermindering van paniekaanvallen, een toegenomen competentie om situaties die voorheen werden vermeden te trotseren en een afname in angst (Hoffman & Mattis, 2000). Onderzoek van Pincus, May en Whitton (2010) ondersteunt voorgaande en toont aan dat de PCT-A een uitvoerbaar en efficiënte behandeling is voor de paniekstoornis bij adolescenten. Voor hun onderzoek werd de PCT-A toegepast bij 13 adolescenten. Uit het onderzoek bleek dat de adolescenten na behandeling niet meer voldeden aan de criteria voor de diagnose paniekstoornis. Zij vertoonden een significante vermindering in de ernst van de paniekstoornis en de zelfrapportage van angst, een significante vermindering in de gevoeligheid voor angst en zij hadden minder last van depressies (Pincus, May, & Whitton, 2010). Toch blijkt uit onderzoek van Tayler en Cox (1998) dat slechts 10 tot 15% van de patiënten met een paniekstoornis cognitieve gedragstherapie ontvangt. Veel patiënten krijgen medicijnen toegeschreven zonder dat een psychosociale behandeling in overweging wordt genomen (Otto, Pollack & Maki, 2000).

Vroeger werd voor de behandeling van een paniekstoornis tricyclische antidepressiva en monoamine oxidase remmers (MAOIs) gebruikt. Deze medicijnen hadden echter veel ondraaglijke bijeffecten. Tricyclische antidepressiva hadden negatieve effecten op het hart en de bloedvaten en MAOIs gingen gepaard met strenge dieetbeperkingen (Wade, 1999). Sinds de laatste 15 jaar worden er benzodiazepinen gebruikt voor de behandeling van een paniekstoornis. Zij hebben in vergelijking met voorgaande medicijnen het voordeel dat hun werking snel optreedt. Echter, het gebruik van benzodiazepinen op lange termijn kan leiden tot afhankelijkheid wanneer zij niet op de juiste manier ingenomen worden en tot een overdosis als zij worden gecombineerd met alcohol (Nutt, 2000). Tegenwoordig worden de selectieve serotonine heropname remmers (SSRIs) gebruikt bij de behandeling van een paniekstoornis. De SSRIs hebben in vergelijking met andere behandelingen het voordeel dat zij significant minder bijwerkingen hebben en minder vaak fysiologische afhankelijkheid veroorzaken (Ballenger et al., 1998). Uit onderzoek blijkt echter dat er maar een lichte toename is in het aantal patiënten dat SSRIs toegewezen krijgt. Een meerderheid van de patiënten die een SSRI innam, rapporteerde dat zij tegelijkertijd benzodiazepinen innamen. Dit blijkt nog steeds het meest voorgeschreven medicijn te zijn bij de behandeling van de paniekstoornis (Bruce, Vasile, & Goisman, 2003).

Er is zeer weinig onderzoek gedaan naar het effect van een combinatiebehandeling bij een paniekstoornis. Deze combinatiebehandeling bestaat uit zowel cognitieve therapie als uit medicatie. Op korte termijn lijken patiënten te profiteren van een meervoudige behandeling. Echter, deze voordelen verdwijnen op de lange termijn (Schmidt, 1999).

Toekomstig onderzoek
Al vele onderzoeken hebben zich gericht op de paniekstoornis. De meeste literatuur over de paniekstoornis richt zich echter op volwassenen (Doerfler et al., 2006). De studie naar paniekstoornissen bij adolescenten bestaat nog niet zo lang en bevindt zich nog in het beginstadium. Men is de laatste jaren al veel te weten te komen over de paniekstoornis bij adolescenten, maar er kan nog veel meer geleerd worden in de volgende jaren (Doerfler et al., 2006). Vervolgonderzoek zou zich daarom specifieker kunnen richten op adolescenten om te onderzoeken of er verschillen zijn tussen de paniekstoornis bij adolescenten en volwassenen. Dit is van groot belang omdat de behandeling dan optimaal kan worden afgesteld zodat adolescenten een gepaste behandeling krijgen.
Ook richten onderzoeken zich voornamelijk op de behandeling van een paniekstoornis wanneer de stoornis al ontwikkeld is, terwijl men zich veel minder bezighoudt met de preventie van de stoornis. Er zal moeten worden onderzocht welke adolescenten een verhoogd risico hebben op de ontwikkeling van de paniekstoornis, zodat er gepaste preventiemaatregelen kunnen worden toegepast. Op deze manier wordt de kans verkleint dat deze adolescenten een paniekstoornis ontwikkelen, blijft de kwaliteit van het leven hoog, en worden economische kosten die geassocieerd zijn met de volledig ontwikkelde stoornis lager (Smit et al., 2009).
Ook onderzoek naar de behandeling van de paniekstoornis is nog te verbeteren. Er is namelijk wel onderzoek gedaan naar verschillende behandelingen, maar er is maar weinig bekend over het effect van een combinatiebehandeling bestaande uit cognitieve therapie en medicatie (Schmidt, 1999).

Tot slot is er al veel bekend over de oorzaken van een paniekstoornis, maar de puzzel is nog niet compleet. Zo is bekend dat een persoon met een kwetsbaar angstnetwerk bij stressvolle gebeurtenissen een grotere kans heeft een paniekstoornis te ontwikkelen (Manfro et al., 1996), maar er is weinig bekend over de mechanismen van een stressvolle gebeurtenis die kunnen lijden tot een paniekstoornis (Ogliari et al., 2009). Vervolgonderzoek zou zich hier op kunnen richten zodat er een nog completer beeld ontstaat van hoe een paniekstoornis zich kan ontwikkelen. Dit is belangrijk omdat er op deze manier beter kan worden ingespeeld op de mogelijkheden in de praktijk.


Referenties
Angelosante, A. G., Pincus, D. B., Whitton, S. W., Cheron, D., & Pian, J. (2009). Implementation of 
           an intensive treatment protocol for adolescents with panic disorder and agoraphobia.
           Cognitive and Behavioral Practice, 16
, 345-357.
Ballenger, J. C., Davidson, J.R.T., Lecrubier, Y., Nutt, D. J., Baldwin, D. S., Boer den, J. A., … Shear,
           M. K. (1998). Consensus statement on panic disorder from the international consensus
           Group on depression and anxiety. Journal of Clinical Psychiatry, 59, 47-54.
Bruce, S. E., Vasile, R. G., & Goisman, R. M. (2003). Are benzodiazepines still the medication of
           choice for patients with panic disorder with or without agoraphobia? American Journal of
           Psychiatry, 160
, 1432-1438.
Doerfler, L. A., Connor, D. F., & Volungis, A. M. & Toscano, P. F. (2007). Panic Disorder in
            clinically referred children and adolescents. Child Psychiatry and Human
            Development
, 38, 57-71.
Gorman, J. M., Kent, J. M., Sullivan, G. M., & Coplan, J. D. (2000). Neuroanatomical
            hypothesis of Panic Disorder, revised. American Journal of Psychiatry, 157, 493-505.
Hoffman, E. C., & Mattis, S. G. (2000). A developmental adaptation of panic control treatment for
            panic disorder in adolescence. Cognitive and Behavioral Practice, 7, 253-261.  
Manfro, G. G., Otto, M. W., McArdle, E. T., Worthington, J. J., Rosenbaum, J. F., & Pollack,
            M. H. (1996). Relationship of antecedent stressful life events to childhood and family
            history of anxiety and the course of Panic Disorder. Journal of Affective Disorders, 41,
            135-139.
Nutt, D. (2000). Treatment of depression and concomitant anxiety. European
            Neuropsychopharmacology, 10
, 433-437.
Ogliari, A., Tambs, K., Harris, J. R., Scaini, S., Maffei, C, Reichborn-Kjennerud, T., &
            Battaglia, M. (2009). The relationship between adverse events, early antecedents, and
            carbon dioxide reactivity as an intermediate phenotype of Panic Disorder.
            Psychotherapy and Psychosomatics, 79, 48-55.
Ollendick, T. H. (1995). Cognitive behavioral treatment of panic disorder with agoraphobia
            in adolescents: A multiple baseline design analysis. Behavior Therapy, 26, 517-531.
Otto, M. W., Pollack, M. H., & Maki, M. W. (2000). Empirically supported treatments for panic
            disorder: Costs, benefits and stepped care. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 4,
            556-563.
Pincus, D. B., May, J. E., & Whitton, S. W. (2010). Cognitive-behavioral treatment of panic
            disorder in adolescence. Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology, 39,
            638-650.
Schmidt, N. B. (1999). Panic disorder: Cognitive behavioral and pharmacological treatment
            strategies. Journal of Clinical Psychology in Medical Settings, 6, 89-111.
Smit, F., Willemse, G., Meulenbeek, P., Koopmanschap, M., van Balkom, A., Spinhoven, P.,
            & Cuijpers, P. (2009). Preventing panic disorder: cost-effectiveness analysis alongside
            a pragmatic randomised trial. Cost Effectiveness and Resource Allocation, 7, 1-12.
Taylor, S., & Cox, B. J. (1998). An expanded anxiety sensitivity index : Evidence for a 
            hierarchical structure in a clinical sample. Journal of Anxiety Disorders, 12, 463-483.
Wade, A. G. (1999). Antidepressants in panic disorder. International Clinical Psychopharmacology,
           14
, 13-17.


Foobie gebruiker Angelique1990

Auteursinformatie


Geschreven artikelen: 12
Leden aangebracht: 0

Meer uit de categorie gezondheid

Graviola, wondermiddel uit het regenwoud ?

Steeds meer in de belangstelling staat de tropische boom Graviola of Guanábana.

Maaltijdvervangers

Een maaltijdvervanger is een gezonde en verantwoorde maaltijd op zich

Tarwe allergie

Informatief artikel over welke granen te gebruiken zijn bij een tarwe allergie.

Dromen verklaard; baby's

Wat betekent het als je droomt over baby's?

Tanden en kiezen bij kinderen

Tanden en kiezen van jonge kinderen