De paniekstoornis bij adolescenten: symptomen en diagnostiek


Publicatie datum:

Dit artikel geeft inzicht in de symptomen, het verloop en de diagnosticering van de paniekstoornis bij adolescenten. Het artikel is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur.

Gesponsorde koppelingen

Onderzoek naar de paniekstoornis bij adolescenten is pas in de laatset decennia op gang gekomen. Een belangrijk criterium voor de diagnose van de paniekstoornis is de aanwezigheid van onverwachte paniekaanvallen die binnen tien minuten hun maximum bereiken. Zowel somatische als cognitieve symptomen komen tot uiting bij de paniekstoornis. In dit artikel zal dieper in worden gegaan op de paniekstoornis bij adolescenten en aan de hand van wetenschappelijke publicaties zullen opeenvolgend het diagnosticeren van een paniekstoornis, de oorzaken van de stoornis en de behandelingsmethoden uiteen worden gezet. Tot slot zullen aanbevelingen worden gedaan voor toekomstig onderzoek naar de paniekstoornis bij adolescenten.
Dit eerste deel zal zich beperken tot een uitleg over wat de stoornis inhoudt,wat de symptomen zijn en op welke wijze de stoornis gediagnosticeerd kan worden. Het vervolgartikel zal zich richten op de oorzaken van de stoornis, de behandelmethoden en de aanbevelingen voor toekomstig onderzoek.

In de DSM-IV-TR wordt een paniekaanval omschreven als “een begrensde periode van intense angst of een gevoel van onbehagen waarbij minstens vier symptomen plotseling ontstaan die binnen tien minuten een maximum bereiken”. Somatische symptomen van de paniekstoornis kunnen bestaan uit een versnelde hartslag, pijn op de borst, een verstikkingsgevoel, zweten, misselijkheid, buikkramp, duizeligheid, rillingen en opvliegers. Cognitieve symptomen kunnen bestaan uit de angst om te sterven en controleverlies. Een belangrijk criterium voor de diagnose van de paniekstoornis is het hebben van onverwachte paniekaanvallen. Minimaal één van de onverwachte aanvallen moet gevolgd worden door minstens één maand met minstens één van de vastgestelde criteriumpunten. Onder deze criteriumpunten vallen de aanhoudende zorg voor nieuwe aanvallen, de zorg voor de implicaties en de gevolgen van de aanvallen en een duidelijke verandering in het gedrag in relatie tot de aanvallen. Verder mag agorafobie niet aanwezig zijn en de paniekaanvallen mogen niet het gevolg zijn van het innemen van een substantie of het hebben van een somatische aandoening. Tot slot mogen de paniekaanvallen niet uitsluitend het gevolg zijn van een andere psychische aandoening zoals een sociale fobie, een specifieke fobie, de obsessieve-compulsieve stoornis, een posttraumatische stressstoornis of van separatieangst (American Psychiatric Association, 2000).
Naast de DSM-IV-TR wordt de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems-10 (ICD-10) ook gebruikt als classificatiesysteem voor stoornissen. Ook in de ICD-10 wordt beschreven dat een onverwachte paniekaanval een kenmerkend verschijnsel is van de paniekstoornis. Daar deze niet te voorspellen is, kan ze in verschillende situaties of omstandigheden voorkomen. De symptomen die in de DSM-IV-TR-worden gegeven voor een paniekstoornis, komen overeen met de symptomen die in de ICD -10 genoemd worden. De ICD-10 bevat echter enkele symptomen die niet in de DSM-IV-TR opgenomen zijn. Hieronder vallen het gevoel van onwerkelijkheid, dat ook wel depersonalisatie of derealisatie wordt genoemd en de angst om gek te worden. Verder wordt er onderscheid gemaakt in de soort symptomen bij de paniekstoornis.  Er bestaan autonome prikkelingssymptomen, symptomen die het buik- en borstdeel betreffen, symptomen die betrekking hebben op de mentale staat en algemene symptomen zoals rillingen, opvliegers, gevoelloosheid of tintelingen (World Health Organisation, 1993). De kracht van de paniekstoornis wordt omschreven als gemiddeld of sterk. Er wordt gesproken van een paniekstoornis van gemiddelde kracht als er sprake is van vier paniekaanvallen in een maand. Een paniekstoornis is van sterke kracht als er wekelijks vier paniekaanvallen optreden en er binnen een maand herhaling optreedt (World Health Organisation, 1993).

Uit onderzoek naar de paniekstoornis bij adolescenten blijkt dat adolescenten die een paniekstoornis hebben meer agressief gedrag vertonen dan adolescenten zonder deze stoornis. Bovendien zijn deze adolescenten gevoeliger voor angst en angstige gebeurtenissen (Kearny, Albano, Eisen, Allan, & Barlow, 1997). Verder vermijden deze adolescenten de deelname aan activiteiten die benodigd zijn voor een normale ontwikkeling zoals activiteiten op school, sociale activiteiten met vrienden en buitenschoolse activiteiten. Deze vermijding ontstaat door de angst voor de paniekaanvallen en de gevolgen van deze aanvallen (Biederman et al., 1997).  Naast ontwikkelingsactiviteiten vermijden deze adolescenten vaak alledaagse situaties en plaatsen zoals restaurants, grote groepen mensen, liften, parken en winkels (Kearny et al., 1997). De vermijding van activiteiten die voorheen als plezierig werden ervaren, kan gepaard gaan met symptomen van een depressie, wat kan leiden tot een verdere vermijding van activiteiten die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van een adolescent (Biederman et al., 1997). De relatie tussen de paniekstoornis en een depressie bij jongvolwassenen is in vergelijking met vrouwen sterker bij mannen (Goodwin, Fergusson, & Horwood, 2004). Naast de kans op een depressie kunnen de symptomen van een paniekstoornis de risico’s op zelfmoordideeën en pogingen tot zelfmoord vergroten in de late adolescentie  (Boden, Fergusson, & Horwood, 2007) en kan een paniekstoornis een negatieve invloed hebben op de hechte relaties van de adolescenten, waarbij veel ouders rapporteren dat de paniekstoornis van hun kind het gezin verstoort (Biederman et al., 1997). Reed & Wittchen (1998) sluiten zich bij voorgaande bevindingen aan en  concluderen dat 50% van de adolescenten met een paniekstoornis een verslechtering laat zien op sociaal gebied in vergelijking met adolescenten zonder deze stoornis. De meest voorkomende symptomen van paniekaanvallen in de adolescentie zijn lichamelijke sensaties zoals hartkloppingen, duizeligheid, pijn in de borst, beven en zweten (Diler et al., 2004).

Assessment
Bij het diagnosticeren van een paniekstoornis worden de symptomen van een persoon in kaart gebracht. De Panic Disorder Severity Scale wordt gebruikt om de ernst van een paniekstoornis en de symptomen hiervan vast te stellen. Deze test wordt afgenomen door een clinicus in de vorm van een interview waarbij de laatste maand als referentieperiode wordt gebruikt. In het interview komen uiteenlopende dimensies aan bod. Zo wordt  er gevraagd naar het aantal paniekaanvallen dat een persoon in de betreffende maand heeft gehad en zijn of haar angst voor aanvallen die in de toekomst plaats kunnen vinden. De schaal is opgedeeld in de cijfers nul tot en met vier waarbij een hoog cijfer gepaard gaat met ernstige symptomen (Shear & Brown, 1997). Een andere schaal om de ernst van de paniekstoornis te meten is de The Panic Attack and Anticipatory Anxiety Scale. Deze test brengt het totale aantal van grote en kleinere paniekaanvallen en de intensiteit van de angst gedurende de laatste week op een schaal van een tot en met tien in kaart. Als toevoeging op voorgaande testen kan bij de evaluatie van een paniekstoornis de Subjective Symptoms Scale gebruikt worden. Deze schaal meet in hoeverre de symptomen van de stoornis interfereren met de functionaliteit van de persoon op het werk, in de thuisomgeving, in de vrije tijd, op sociaal gebied en in familierelaties. De referentieperiode bij deze test is een week (Ferro et al., 2007). 

Naast testen die door clinici worden afgenomen, zijn er ook testen die berusten op de zelfrapportage van personen. De Social Adjustment Scale – Self Report (SAS-SR) is hier een voorbeeld van. Deze test richt zich op de adaptatie van een persoon aan de maatschappij en zijn of haar sociaal leven en meet de functionaliteit van de persoon in de laatste twee weken als werknemer, student en lid van een gezinseenheid. De schaal is opgedeeld in de cijfers een tot en met vijf waarbij vijf duidt op maximale onbekwaamheid (Frank, Scocco, & Barbieri, 2006). Een andere test die gebruik maakt van zelfrapportage is de Panic and Agoraphobia Scale. Bij deze test moeten de personen vragen invullen die betrekking hebben op de hoeveelheid paniekaanvallen die zij ervaren, op vermijdend gedrag dat zij vertonen, op hun angst, onbeholpenheid en hun bezorgdheid over de eigen gezondheid (Bandelow, 1995). 

Naast de ernst en de symptomen van een paniekstoornis kunnen ook cognitieve aspecten van een paniekstoornis gemeten worden. Hiervoor wordt de Panic Appraisal Inventory (PAI) gebruikt. De PAI maakt gebruik van de waarnemingen van de persoon die wordt onderzocht en meet de kans dat een paniekaanval zich voordoet, de negatieve gevolgen van de paniek en de zelfredzaamheid om met paniek om te gaan. De schaal is opgedeeld in de cijfers een tot en met honderd, waarbij een hoge score een negatieve cognitieve staat inhoudt (Meulenbeek, Spinhoven, & Smit, 2010). Tot slot moet door een deskundig persoon uitgesloten worden dat een persoon lijdt aan een psychologische of somatische aandoening of dat er sprake is van het innemen van substanties die de paniekaanvallen veroorzaken.

Kortom, de paniekstoornis bij adolescenten kenmerk zich voornamelijk door periodes van intense angst, waarbij somatische en cognitieve symptomen tot uiting komen. Deze symptomen kunnen via diverse diagnostische instrumenten zoals vragenlijsten en zelfrapportages in kaart worden gebracht en op deze wijze kan men vaststellen of de adolescent voldoet aan de criteria van de paniekstoornis.
Dit is echter niet het einde van het diagnostisch proces. Als de paniekstoornis bij de adolescent is vastgesteld, zal gezocht moeten worden naar factoren die de problematiek hebben veroorzaakt, in stand houden of factoren die de problemen verergen. Wanneer dit bekend is kan, om de adolescent een zo hoog mogelijke levenskwaliteit te bieden, gezocht worden naar de beste behandelmethoden voor deze specifieke persoon.
Dit deel zal behandeld worden in het vervolgartikel: de paniekstoornis bij adolescenten, oorzaken en behandeling.


Referenties
American Psychiatric Association (Ed). (2000). Diagnostic and statistical manual of psychologist and
          code of mental disorders.
Washington, DC: American Psychiatric Association.
Biederman, J., Faraone, S. V., Marrs, A., Moore, P., Garcia, J., Ablon, S., ... Kearn, M. E. (1997).
         Panic Disorder and agoraphobia in consecutively referred children and adolescents. Journal of
         the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 36
, 214-223.
Boden, J. M., Fergusson, D. M., & Horwood, L. J. (2007). Anxiety disorders and suicidal behaviours
         in adolescence and young adulthood: Findings from a longitudinal study. Psychological
         Medicine, 37
, 431-440.
Diler, R. S., Birmaher, B., Brent, D., Axelson, D. A., Firinciogullari, S., Chipetta, L., & Bridge, J.
         (2004). Phenomenology of Panic Disorder in youth. Depression and Anxiety, 20, 39-43.
Ferro, F., Berardis, D., Campanella, D., Gambi, F., Rovere, R., Sepede, G., … Moschetta, F. (2007).
         Alexithymia, fear of bodily sensations, and somatosensory amplification in young outpatients
         with Panic Disorder. Psychosomatics, 48, 239-246.
Frank, E., Scocco, P., & Barbieri, I. (2006). Interpersonal problem areas and onset of Panic Disorder.
         Psychopathology, 40
, 8-13.
Goodwin, R. D., Fergusson, D. M., & Horwood, L. J. (2004). Panic attacks and the risk of depression
         among young adults in the community. Psychotherapy and Psychosomatics, 73, 158-165.
Kearny, C. A., Albano, A. M., Eisen, A. R., Allan, W. D., & Barlow, D. H. (1997). The
         phenomology of Panic Disorder in youngsters: An empirical study of a clinical sample. Journal
         of Anxiety Disorders, 11
, 49-62. 
Meulenbeek, P., Spinhoven, P., & Smit, F. (2010). Cognitive mediation of panic reduction during an
        early intervention for panic. Acta Psychiatrica Scandinavica, 122, 20-29.
Reed, V., & Wittchen, H. (1998). DSM-IV panic attacks and Panic Disorder in a community sample of
         adolescents and young adults: How specific are panic attacks? Journal of Psychiatric 
         Research, 32
, 335-345.
Shear, M. K., & Brown, T. A. (1997). Multicenter collaborative Panic Disorder severity scale.  
         American Journal of Psychiatry, 154
, 1571-1575. 
World Health Organization (Ed). (1993). The ICD-10 classification of mental and behavioural
         disorders: Diagnostic criteria for research.
Geneva, Switzerland: World Health Organization.

Gesponsorde koppelingen

Foobie gebruiker Angelique1990

Auteursinformatie


Geschreven artikelen: 12
Leden aangebracht: 0

Meer uit de categorie gezondheid

Leven met een ingezakte ruggenwervel

Een ingezakte ruggenwervel is een behoorlijk probleem, lees hier meer.

DNA, wat is dat eigenlijk?

Je hoort zoveel over DNA, maar wat is DNA eigenlijk?

Afslanken zonder weegschaal, schulgevoelens en frustraties

Dit artikel helpt je om zonder frustraties af te slanken maar bovenal om de grip op je eetgewoonten te krijgen.

Inzicht meditatie

Verander uw levenshouding door inzicht meditatie

Alles over oogontstekingen

Alles over bacteriële en virale oogontstekingen

Het Humaan Cytomegalovirus als belangrijk target in kankertherapie

Het HCMV virus wordt steeds vaker geopperd als target in de bestrijding van kanker. Hier leg ik uit wat dit virus precies is en hoe het kanker kan veroorzaken.

Eerste trimester zwangerschap

Eerste trimester zwangerschap van week tot week

Voorwaardelijke machtiging

De

Een andere waarheid achter hart- en vaatziekten

De relatie tussen vitamine C tekort en hart- en vaatziekten.

Waar komt het Ebola virus vandaan?

Opeens is er weer een uitbraak van het Ebola virus, waar komt het Ebola virus vandaan?

Psoriasis een vervelende huidziekte

Een beschrijving van de huidziekte psoriasis

Als spanning een Burn-Out wordt.

Hoe voorkom en herken je een burn-out?

Leven met Borderline

psychologie,borderline

Behandeling van acné (jeugdpuistjes)

Lees hier alles over de behandeling van acné

Verkoudheid vermijden of bestrijden

Ben je vaak verkouden in de herfst of winter? Wil je weten hoe je ervan kunt komen of hoe je het een volgende keer kunt vermijden? Lees dat dit artikel!

Help, we verzuren!

Hoe komt het dat ons lichaam verzuurt en wat zijn de gevolgen hiervan?

Dyslexie

Wat is dyslexie? Hoe herken in het? Wat kan ik er aan doen?

Slaapproblemen

Iedereen heeft het wel eens meegemaakt. Je moet de volgende ochtend vroeg op, bent hartstikke moe, maar je valt niet in slaap of je wordt steeds weer wakker.

Hoe kun je Ebola snel de wereld uit helpen?

Zolang Ebola alleen in een paar landen in Afrika voorkomt grijpt de wereld niet doortastend in. Hoe kun je Ebola snel de wereld uit helpen?

Alles over hyperventilatie

Wat is hyperventilatie en wat kun je eraan doen.

Gezondheidsgeheimen uit Okinawa

De inwoners van Okinawa leven gemiddeld genomen langer dan waar ook ter wereld. Dit artikel onthult hun geheimen!

Eenvoudig ontgiften

Met eenvoudige olie een goede gezondheid bekomen

Het oor

hoe werkt het oor? en wat gebeurt er met het oor als je ouder wordt.

Alles over Alli

Informatie over de enige wetenschappelijk bewezen dieetpil Alli (Orlistat)

De geschiedenis van de keizersnede

De geschiedenis van de keizersnede hier beschreven