Voortplanting kat


Publicatie datum:

Een artikel over de voortplanting van katten met toevoeging van medische termen.

Gesponsorde koppelingen

Geleiding:
Snelheid gelijk over hele lengte van de zenuw.
Verschilt per soort vezel:
- grotere diameter → minder weerstand  →hogere geleidingssnelheid.
Myelineschede → zeer hoge snelheid.
- saltatoire voortgeleiding.
- actiepotentiaal alleen bij knopen van Ranvier.

Gesponsorde koppelingen

 

  • Poly-oestrische cyclus
  • Pro-oestrus: ca. 1-3 dg.
  • Oestrus = krolsheidL rollen, gillen, achterhand omhoog) ca. 7-9 dg.
  • Geïnduceerde ovulatie ( eerst dekken dan pas komen eitjes vrij)
  • Draagtijd ca. 63dg

Enkele problemen:

  • Infertiliteit ( verkeerd dekseizoen, dominantie)
  • CEH = Cysteuze Endometrium Hyperplasie, baarmoederand wordt dikker.
  • Pyometra = baarmoederontsteking, open of gesloten, pus.
  • Pseudograviditeit = schijnzwangerschap, wel ovulatie geen vrucht.
  • Dystocia = moeilijek bevalling.

Symptomen bij dystocia:

  • Dracht duurt langer dan 66dg ( kan ook dat eigenaar niet goed heeft geteld).
  • Pijn en zwakte bij poes
  • Geen partus 24u na temperatuursdaling
  • Geen kitten binnen 2 u na breken vliezen
  • Vrucht in geboortekanaal voelbaar
  • Groenige, vaginale uitvloeiing ante-partum ( afsterven vrucht).
  • Sterke buikpers gedurende 30 min
  • Zwak persen gedurende 2 u zonder partus.

Enkele problemen:

(Relatief) te grote vrucht/kop. ( vooral bij perzen, en bij te kleine worp te grote vruchten).

Verkeerde ligging

Abnormale of dode vrucht

Hoe meer kittens, des te minder problemen.

Neurologie

Het zenuwstelsel:

  • Complex gebouwd systeem
  • Coördinatie en besturing lichaamsfuncties
  • Lagere diersoorten ( die uit minder cellen bestaan) ↔ hogere diersoorten

Zenuwstelsel hogere diersoorten: Bestaat uit hersenen, ruggenmerg en perifere zenuwen.
Functies:

  • Regulatie skeletspieren, hartspier en gladde spieren
  • Regulatie kliersecretie
  • Contact met extern en intern milieu
  • Zorgen voor bewustzijnsniveau
  • Impulsen voor overleven ( dorst, honger, angst etc.)

Zenuwstelsel hogere diersoorten:
2 systemen:

  • Willekeurige of animaal zenuwstelsel
  • Onwillekeurig of autonoom/ vegetatief zenuwstelsel

Willekeurig zenuwstelsel:

  • Centraal zenuwstelsel
  • Perifeer zenuwstelsel

Autonoom zenuwstelsel:

  • Sympathisch zenuwstelsel
  • Parasympathisch zenuwstelsel

Centraal zenuwstelsel ( binnen schedel en wervelkanaal) bestaat uit:

  • Grote hersenen
  • Kleine hersenen
  • Hersenstam
  • Verlengde merg
  • Ruggenmerg

Perifeer zenuwstelsel:
Vormt de verbinding tussen:
- (uitwendig en inwendig) milieu en het c.z.s.= receptorafferent neuron.
- c.z.s. en effector ( klier, spier, orgaan) = efferent neuron.
Hiertoe behoren:

  • Perifere ganglia
  • Spinale zenuwen
  • Kopzenuwen
  • Autonome zenuwen

Sensibele zenuwen = afferente zenuwen = naar centrum toe.

Motorische zenuwen = efferente ( effecten) zenuwen = van centrum af.

Hete thee aanraken →afferent →efferent terug →hand weg.

Autonome zenuwstelsel ( om in leven te blijven):
Functie: homeostase

  • Behouden van evenwicht = stabiel intern milieu ( v. belang voor temp. En pH)
  • Door o.m. regulatie van hart, gladde spieren en klieren/ organen.

Belangrijkste integratie plek: Hypothalamus.

Naar organen toe= efferent.

Sympatisch en parasympatisch systeem:

Hebben een antagonistische werking.
Innerveren vaak dezelfde structuren.
Sympathisch (= actie) → f.f.f reacties.
Sympathisch →release adrenaline ( samen met zenuwen) uit bijniermerg.
Parasympathisch systeem overheerst in rust ( darmen werken rustig, verteren).

Autonome zenuwstelsel:
Sympathisch stelsel:

  • Zorgt voor actie
  • Bevordert de stofwisseling
  • Versnelt hartslag
  • Verwijdt vaten in actieve delen
  • Vernauwt vaten in o.m. darmen

Parasympathisch stelsel:

  • Werkzaam in rustfase
  • Zorgt voor herstel en opbouw
  • Antagonist van sympaticus

Autonome zenuwstelsel:
Sympathisch en parasympathisch zenuwstelsel innerveren dezelfde structuren.
- behalve bepaalde huidzenuwen ( sudo ( zeiknat),- pilo ( haren overeind)-, vasomotor).
- deze worden alleen sympathisch geinnerveerd.

Komen op andere plaats uit ruggenmerg.
- sympathisch : thoracaal en lumbaal.
- parasympathisch: craniaal en sacraal.

Sympathisch ganglion : dicht bij orgaan.
Parasympathisch ganglion: dicht bij ruggenmerg.

Kopzenuwen:
12 paar kopzenuwen:
- ontspringen uit de hersenen.
- genummerd van rostraal = 1 tot caudaal is XII.
Enkele eigenschappen:

  • Geen dorsale en ventrale wortel
  • Komen uit foramina in de schedel
  • Bevatten sensibele, motorische of beide neuronen.

Het neuron = de zenuwcel.

Neuron = cellichaam met uitlopers ( enrieten en neurieten)
Dendriet: geeidt impuls naar cellichaam toe.
Neuriet ( =axon): geleidt impuls van cellichaam af.
Ganglion = groep cellichamen van zenuwcellen buiten c.z.s.
Nucleus = groep cellichamen van zenuwcellen binnen c.z.s. ( in grijze stof).
Receptor = zintuig (-onderdeel)
Afferent neuron : geleidt vanaf receptor.
Synaps = impulsoverdracht tussen 2 neuronen.
Efferent neuron : geleidt naar plek van actie.
Effector = bv. Spier of klier waar reactie komt.
Motorische eindplaat: impulsoverdracht op dwarsgestreepte spiervezel.

Myelineschede = mergschede met knopen van Ranvier = insnoeringen in mergschede.
Functie: bescherming en isolatie.
Bestaat uit isolerende laag myeline.
Buiten c.z.s.: gevormd door cellen van Schwann.
Binnen c.z.s.: gevormd door gliacellen.
Myeline - arme ↔ myeline – rijke vezels.

Primaire reflexboog:
Directe = primaire reflexboog = eenvoudigste keten met maar 1 synaps = monosynaptische reflexboog ( kniepeesreflex).
Impuls gaat van:
Receptor → affernent neuron →synaps →effernent neuron →effector.
Andere reflexbogen met meerdere schakelcellen ( = interneuronen).

Verschillende types neuronen:

  • Multipolaire zenuwcel.
  • Bipolaire zenuwcel.
  • Unipolaire zenuwcel.

Indeling zenuwvezels:
Afferente ( ergens naar toe)vezels:
- somatische: van huid, spier, zintuig etc.
- viscerale ( binnenkant lichaam): van bloedvaten, ingewanden etc.

Efferente ( ergens vandaan) vezels:
- somatische: naar huid, spier , zintuig etc.
-  viscerale : anar gladde spiercel, kliercel etc.

Bouw ruggenmerg:

Ruggenmerg loopt van foramen ( achterhoofdsgat) magnum tot os sacrum( heiligbeen), eindigend in cauda eguina L2-L3. ( laatste lumbale wervels)

Segmentale opbouw.

Spinale ganglia.

Grijze stof (centraal):
- cellichamen van schakelneuronen en motorische neuronen.
Witte stof ( perifeer):
centraal: neurieten schakelneuronen → andere ruggenmergsegmenten.
perifeer: banen naar en van de hersenen.

Meningen = hersen- en ruggenmergsvliezen.
Van buiten naar binnen:

  • Dura mater = stevig: epidurale ruimte tussen dura mater en wervelkanaal bevat vetkussen en bloedvaten voor afvoer.
  • Arachnoidea = fragiel: subarachnoidale ruimte met cerebrospinale vloeistof tussen arachnoidea en pia mater.
  • Pia mater , direct rond ruggenmerg: vormt bloed- hersenbarrière. Omvat bloedvaten, vasularisatie hersenen en ruggenmerg.

Grijze en witte stof ruggenmerg:

  • Dorsale hoorn ( = cornu dorsale)
    - bevat sensibele neuronen.
  • Ventrale hoorn ( = cornu ventrale)
    - bevat motorische neuronen.
  • Locatie belangrijk i.v.m. uitval door leasie.
    - trauma /tumor etc.

Enkele neurologische problemen:

  • HNP = hernia nucleus pulposus= hernia van de tussenwervelschijf deze stulpt uit.
  • Cauda equina syndroom = lumbosacraalstenose. =samendrukken van de cauda equina zenuwwortels.
  • Tetanus = spierstijfheid, kaakklem.
  • EHV type 1 = rhino, verlamming achterhand.
  • Encefalitis =hersenontsteking.

Enkele Symptomen Lumbosacraalstenose:

  • Moeite met opstaan, traplopen, in auto springen.
  • Pijnlijke rug
  • Sloffen, wankel lopen, verminderde bespiering achterhand.
  • Neurologische uitval achterpoten en faecale of urine incontinentie.

Tetanus:

Clostridium tetani → vormt toxine
Infectie: na verwonding/ castratie/hoefzweer.
Incubatietijd: 7-10dg.
Paard: erg gevoelig voor tetanus.
Bacterie = ubiquitar/ anaeroob → functioneert beste in zuurstofvrije.
Preventie = vaccinatie.

Equine Herpes Virus Type 1:

  • Rhino
  • Respiratoire vorm
  • Abortus

Neurologische vorm: ataxie achterhand,oorzaak: encephalomyelopathie.

Therapie:

  • Afhankelijk van symptomen.
  • Bij niet meer overeind komen: infauste ( met dodelijke afloop) prognose → coma →sterfte.
  • Lang liggen → symptomatisch behandelen: regelmatig keren, blaas lediging, herstel mogelijk.

Encefalitis:

  • Koorts
  • Overgevoeligheid
  • Stijve nek
  • Pijnlijke rugspieren

Diagnose: Cerebrospinalis onderzoek, liquor punctie.

Grote hersenen = cerebrum

Cerebrum:

  • Bestaat uit hemisferen ( gyri en sulci), verbonden door corpus callosum, centraal witte stof, perifeer grijze stof = cortex.
  • Enkele functies cerebrum: gewaarwording en motoriek.

Omgeven door hersenschors = cortex.

 

Enkele functies cortex:

  • Waarneming
  • Wil
  • Intelligentie
  • Spiercontrole
  • Herinnering

Kleine hersenen = cerebellum.
Het cerebellum bestaat uit 2 hemisferen, verbonden door een hersenbalk of pons cerebelli.
Enkele functies van het cerebellum:

  • Evenwicht
  • Verbindt informatie van cortex met info van lichaam = gecoördineerde bewegingen.
  • Fijnregulatie bewegingen.

Grijze stof perifeer, bestaande uit cellichamen neuronen.
Witte stof centraal, bestaande uit zenuwvezels.

Ventrikels en liquor cerebrospinalis:

Liquor cerebrospinalis = hersenvloeistof:

  • Gevormd in hersenventrikels ( 4 ventrikels)
  • Afvoer vanuit 4e ventrikel naar subarachnoidale ruimte, daar opname in venen.
  • In ventrikels, subarachnoidale ruimte en centraal kanaal ruggenmerg.

Hydrocephalus: ( waterhoofd)

  • Obstructie foramen interventricularis
  • Productie gaat door, drukverhoging ventrikels.
  • Verdunning cortex en vergroting cranium

Hersenstam:

  • Verbinding tussen grote en kleine hersenen en verlengde merg.
  • Hypothalamus = onderzijde hersenstam.
  • Hypofyse onderaan hypothalamus.
  • Epifyse aan bovenzijde hersenstam.

Entero-neurale systeem:

Netwerk van motorische en sensibele zenuwen in maag-darmwand, lever en pancreas.
plexus van Meissner ( submucosa)
plexus van Auerbach ( tussen spieren).
Zowel beïnvloedbaar als ook intrinsiek werkend.
Sensorische zenuwen zorgen onder meer voor registratie:
- rek, hormonen, chemische samenstelling darminhoud.
Motorische zenuwen zorgen o.m. voor:
- darmbewegingen, secretie klieren, verwijding bloedvaten.

Fysiologie zenuwcel:
Impulsen worden voortgeleid door de vezels van het neuron door ionentransport.
Rustfase:
- Cl- en K+ binnen zenuwvezel, NA+ buiten.
Actie:
- NA+ gaat naar binnen →depolarisatie →drempelwaarde →actiepotentiaal.
- NA+ moet weer naar buiten gepompt door NA pomp ( kost energie) → repolarisatie.

Synaps

Actiepotentiaal presynaptisch neuron komt bij synaps → neurotransmitter vrij in synaps spleet.
Bindt aan receptor op postsynaptisch neuron → verandering membraanpotentiaal = impuls.
Afbraak neurtransmitter door enzym → postsynaptische membraan weer prikkelbaar.

Voortgeleiding impuls:

  • Langs neuron:
    - actiepotentiaal t.g.v ionenstromen.
  • Bij synaps:
    - potentiaaloverdracht door exocytose neurotransmitter.
  • Grootte impuls:
  • Neuron: alles of niets.
  • Synaps: depolarisatie pas bij voldoende neurotransmitter → overschrijden drempelwaarde.

Beïnvloeding impuls:
Bij synaps: door diverse drugs, anesthetica en anoxie ( curare, botuline, diverse insecticiden).
In neuron zelf:
Alkalose: ( braken) 
prikkelbaarheid verhoogd ( trillen).
Acidose: ( diarree) 
prikkelbaarheid verlaagd ( sloom).
Hypoxie : 
prikkelbaarheid verlaagd ( sloom).

Enkele neurotransmitters:

  • Acethylcholine
    - neuromusculaire synaps.
  • Noradrenaline 
    - sympathische neuronen in centraal zenuwstelsel.
  • Adrenaline
    - sympathische neuronen in centraal zenuwstelsel.
  • Gaba 
    - in c.s.s.
  • Dopamine
    - zowel in centraal – als in perifeer zenuwstelsel.
  • Glutamaat
    - in c.z.s

Reflex = een automatische reactie van een effectorgaan op een stimulus.

Enkele reflexcentra:

  • Spina: spinale reflexen.
  • Medulla oblongata : diverse viscerale reflexen.
  • Cerebellum : locomotie, houdingsreflexen.
  • Hypothalamus : reflexen i.v.m. temperatuur/ vocht.
  • Cerebrum : pupilreflex, schrikreacties.

Controle reflexen:

  • Spinale reflexen:
    - controle zenuwbanen van en naar ruggenmerg ( kniepeesreflex, buigreflex, anusreflex).
  • Posturale reflexen:
    - controle zenuwbanen van en naar cerebellum ( dubbeltreden, hinkelen, plaatsing)
  • Cerebrale reflexen:
    - controle kopzenuwen ( pupilreflex, ooglidreflex, dreigreflex).

De huid

Functies van de huid:

  • Bescherming tegen:

-          Uitdroging

-          Micro-organismen

-          Mechanische factoren

-          Direct zonlicht

  • Thermoregulatie ( zweten, bleek bij kou)
  • Uitscheiding ( vocht, melk, cellen)
  • Communicatie ( kleur van de huid, haren overeind)
  • Zintuig ( voelen)

Opbouw huid ( = cutis)

Opperhuid = epidermis

  • Meerlagig plat verhoornend epitheel
  • Melanocyten ( zorgen voor pigment, kleur haren)
  • Epidermisderivaten ( komt voort uit epidermis)

Lederhuid= dermis= corium.

  • Collagene en elastische bindweefselvezels
  • Bloedvaten, lymfevaten en zenuwen
  • Innervatie d.m.v. sympatisch zenuwstelsel.

Enkele epidermisderivaten:

  • Haren
  • Nagels
  • Horens
  • Hoeven

Talgklier en zweetklier ontstaan door ingroei epidermis in onderliggende dermis.

Horens:

  • Beenpit, (hoorn groeit hier uit de schedel)
  • Dermis met papil
  • Epidermis vormt pijpjeshoorn
  • Overgang huid ↔ hoorn= zacht transparant hoorn.
  • Pneumatisering vanuit sinus frontalis.

Wolfsklauwen:
Wel of geen benige basis. ( soms met bot)

Zwilwratten:
Hoorn, proximaal van carpus( voor), dstaal van tarsus(achter).

Sporen:
Hoorn, caudaal onder kogel.

Enkele huidaandoeningen:

  • Infectieus, voor dieren en/ of mensen.
  • Zoonose = overdraagbaar van dier op mens en omgekeerd.
  • Niet-infectieus, van buitenaf of van binnenuit.

Infectieuze huidaandoeningen:

  • Bacteriele aandoeningen( melkerskoorts, leptospirose ( zoonose )).
  • Virale aandoeningen( vogelgriep, rabius beiden zoonose)
  • Schimmels, (ringworm ook zoonose)
  • Parasieten : endoparasieten ( leeft in het lichaam zoals spoelwormen, aarsmaden( geen zoonose)) en ectoparasieten ( leeft buiten het lichaam zoals mijten, luis, vlooien).

Niet- infectieuze huidaandoeningen:

  • Trauma
  • Allergie
  • Deficiënties
  • Inwendige stoornissen ( hormonaal)

Fotosensibiliteit = eczema solare = zonnebrand.
Gevoeligheid voor licht, niet voor warmte.

Primaire fotosensibiliteit:
- door eten toxische planten.
Hepatogene fotosensibiliteit:
- door lever- of galgangproblemen, leveraantasting door diverse oorzaken.

Primaire fotosensibiliteit:

  • Door stof uit toxische plant: gaat naar huid en veroorzaakt fotosensibiliteit.

Voorbeeld:

  • St. Janskruid
  • Boekweit
  • Rode klaver
  • Luzerne

St. Janskruid intoxicatie:

Enkele symptomen bij orale opname:
- veranderingen in witte vachtdelen: haaruitval, verdikte huid, rood, oedeem, pijn, jeuk en exsudatie = vloeistof en cellen die bij ontsteking naar buiten treden. ( uitzweting).
Soms shockverschijnselen → Pols ↑ en Temperatuur ↑.
Soms nerveuze verschijnselen t.g.v. leverbeschadiging:
- ataxie, paralyse posterior( verlamming achterhand), blindheid en gedragsveranderingen.

Therapie:

  • Oorzaak achterhalen
  • Uit de zon = opstallen
  • Rantsoen wijzigen
  • Laxeren
  • Symptomatische behandelingen huidlesies
  • Preventie secundaire bacteriële infecties

Hepatogene fotosensibiliteit door leverprobleem door opname van bepaalde planten of medicijnen.
Hierdoor ontstaat onvoldoende uitscheiding van phyllo-erythrine ( = afbraakproduct van chlorofyl, plantenkleurstof)→accumulatie ( ophoping) in het lichaam.

Enkele levertoxische stoffen:
Planten:

  • Lupine
  • Klaver
  • Jacobskruiskruid

Medicijnen:

  • Tetracyclines ( blauwspray)
  • Sulfonamiden

Nog meer niet-infectieuze aandoeningen:
Mogelijk trauma door:

  • Hitte ( open haard, kaarzen)
  • Chemische stoffen ( antivries, chocola)
  • Koude ( eten in vriezer aflikken, vriesbranden)

Enkele endocriene stoornissen:

  • Hypothreoidie ( tekort aan schildklierhormoon)
  • Cushing

Deficiënties:
Voedselgebonden: onvoldoende aanbod van bepaalde stoffen o overmaat aan andere stoffen.
Erfelijk: Bijv. malabsorptie door enzymdefect. O.m. bij siberische husky en Bull Terrier →zinkdeficiëntie. ( problemen met opnemen van zink)
Symptomen: kapotte voetzooltjes, kalige plekken, rond ogen en snuit, slechte wondgenezing.( zinkzalf)

Aanvullende anamnesevragen bij huidklachten:

  • Is er sprake van jeuk?
  • Raspredispositie → denk aan huidstructuur. ( wit, rimpels)
  • Zijn er inwendige stoornissen bekend?

Aanvullende onderzoek huid:

  • Microscopisch onderzoek

-          Huidafkrabsel

-          Haren ;microscopisch onderzoek) op mijt en schimmel

-          Stofmonster, stofzuiger met gaasje ervoor.

  • Schimmelkweek
  • Biopt, weefsel nemen, met naald en heen en weer porren.
  • Bacteriologisch onderzoek, met wattenstaafjes.
  • Bloedonderzoek, voor ontsteking, andere klachten.

Acantholysis= verdwijnen van structuur tussen de epidermiscellen. ( bij autoimmuunaandoening).
Cellulitis = ontsteking van losmazig subcutaan bindweefsel.
Crusta = korst.
Erytheem = roodverkleuring huid.
Lichenificatie = verdikking en verharding van de huid. ( op leggerplek van ellebogen).

Vlekjes en bultjes:
Macula = omschreven, niet verheven huidvlek, waarbij de kleur van de huid is veranderd.
Papel = kleine, stevig aanvoelende verhevenheid van de huid tot ca. ¼ cm doorsnede, vaak rozerood van kleur.
Nodulus = grotere papel.
Pruritus = jeuk.
Pustel = kleine, omschreven verhevenheid in de huid gevuld met pus.
Zweer/ Ulcus = onderbreking van de epidermis , waarbij de onderliggende weefselstructuur aan de oppervalkte komt.
Vesicula = met vocht gevuld blaasje tot ca. ½ cm doorsnede, indien groter dan ½ cm = Bulla.

Urticaria =netelroos,  al dan niet erythemateuze( rode) verhevenheden in de huid t.g.v. interstitieel( in het interstitium, tussenstof van de huid) oedeem. ( van brandnetel)

  • Meestal allergische reactie
  • Soms veroorzaakt door histamineactiviteit van het speeksel van sommige insecten ( mug, vlooi).
  • Exogene vorm
  • Endogene vorm

Exogene vorm: probleem komt van buiten het dier door contact met bijv:
- brandnetels
- insectenbeten
- geneesmiddelen
- chemicaliën (terpentine)

Endogene vorm ( van lichaam zelf).

Probleem treedt op:

  • Na opname bepaalde voedermiddelen of geneesmiddelen ( aardbei, komkommer).
  • Tijdens parasitaire infectie.
  • Tijdens bepaalde maagdarmziekten.
  • Na injectie met lichaamsvreemd eiwit ( sommige vaccins en antibiotica).
  • Tijdens verloop aandoeningen voorste luchtwegen.

Symptomen urticaria:

  • Zwellingen waar putjes ingedrukt kunnen worden.
  • Kunnen overal op het lichaam voorkomen.
  • Lesies verdwijnen na enkele uren of dagen.
  • Dier is rusteloos met spierkrampen, soms ademhalingsproblemen/ zwakke pols ( shock).
  • Soms jeuk.

Pigment

Pigmentcellen in stratum basale ( epidermis) maken melanine ( beschermt tegen zonlicht) onder invloed van uv-licht.
Dit wordt verspreid over de epidermiscellen en beschermt de celkernen tegen de schadelijke werking van de zon.
Albinisme = afwezigheid van pigment.

Haar:

Ontstaat uit haarfollikel:
- dit is een ingroei van epitheel in de dermis.
- hierop vormt een papil, waarop een matrix ontstaat ( groeit haar uit).

De haarfollikel vormt een bindweefselschede om een 2 lagige epitheelschede.

Talgklier ontstaat uit externe epitheelschede.

Opbouw en groei haar.

  • Vanuit de haarmatrix groeit een haar.
  • Zodra de delingen stoppen en de cellen verhoornen, valt de haar uit.
  • Opbouw haar: medulla, cortex en cuticula.
  • Diersoortverschillen:

-          Seizoen/ locatie

-          Leeftijdsverschillen ( verschillende haren)

  • Verschillende haartypen

Haargroei

  • Anagene fase ( 80-85% van het haar)

-          Hierin groeit de haar vanuit de matrix.

  • Catagene fase ( 1-3% van het haar)

-          Haargroei neemt af en stopt.

  • Telogene fase (12-15% van het haar)

-          Haar groeit niet meer en valt uit, rustfase.

-          Uit zelfde matrix kan nieuwe haar groeien.

Haartypen:

  • Dekharen

-          Rechte, stevige en dikke haren.

  • Wolharen

-          Weinig merg, dun en gekruld.

  • Bijharen

-          Kortere haren, vormen de ondervacht.

  • Sinus = tastharen

-          Dikkere haren in kopgebied

-          Veel zenuwuiteinden

-          Haarfollikel omgeven door veneuze sinussen

Haar: spieren en klieren

  • M. arrector pilorum

-          Sympatische innervatie

-          Trekt haar rechtop → isolatie, imponeergedrag

  • Talgklieren

-          Holocrien ( druppels talgklier worden afgescheiden)

-          Afvoer direct op huid → geurklier

-          Afvoer via haarfollikel → bescherming huid

  • Zweetklieren

-          Paard: over hele lichaam

-          Hond en kat: vrijwel alleen in voetzolen.


Auteursinformatie


Geschreven artikelen: 16
Leden aangebracht: 0

Meer uit de categorie natuur

Wateropname en transport in planten.

Uitleg wateropname en transport van water in planten.

Hoe word rubber gemaakt en de geschiedenis van rubber

dit artikel gaat over rubber. hoe het gemaakt word, waar het vandaan komt en de geschiedenis van rubber

Gevolgen van de opwarming van de aarde

Gevolgen van de opwarming

Wat is een biosfeer en hoe maak je er een?

Een uitleg wat een biosfeer is en wat je nodig hebt om er een te maken.

De goedkoopste natuurlijke bladluis bestrijding.

Bladluizen kunnen een ware plaag zijn in je tuin, hoe kun je ze op een natuurlijke manier bestrijden.