Medische spijsvertering


Publicatie datum:

Dit artikel geeft zicht in de medische spijsvertering en dan met name die van dieren.

Gesponsorde koppelingen

Waarom verteren?

Voedselbrokje zo klein mogelijk maken dat het de darmwand kan passeren.

Voedselverkleining kan op twee manieren:

- fysisch; kauwen, vermalen, inweken, mengen door peristaltiek, fijnpersen, oplossen door zoutzuur ( in maag) of emulgeren m.b.v gal. ( vloeistoffen vermengen).

chemisch; te grote moleculen m.b.v enzymen verkleinen zodat passage door darmwand kan plaats vinden.

Gesponsorde koppelingen

Spijsverteringskanaal:

- mond- en keelholte, slokdarm, maag, dunne en dikke darm.

- Begin en eind sluitspier i.v.v mond en anus.

- lange buis met verwijdingen, doodlopend stuk en slingers.

- in verbinding met buitenwereld.

 

Opbouw kanaal.

- darmmucosa of - slijmvlies, binnenbekleding van darm/ maag, bevat slijmbekercellen en exocriene kliertjes. Geven enzymen af aan lumen ( holte).

- losse bindweefsellaag met bloedvaatjes en zenuwen.

- twee spierlagen van glad spierweefsel; samentrekking loodrecht op elkaar: peristaltiek. ( voortbewegen van voedsel).

- darmserosa: onderdeel van buikvlies.( buitenste laag van de darm).

 

Organen en sereuze vliezen.

Thoracale holte:

- hart ( pericard zakje, parietaal/ visceraal deel).

- twee longhelften ( pleura parietalis/ pulmonalis).

Abdominale holte:

Peritoneum ( buikvlies) parietalis / visceralis.

- nieren ( retroperitoniaal)

- digestieapparaat ( intraperitoniaal)

- genitaalapparaat

Bekkenholte:

- digestieapparaat

- urogenitaalapparaat

 

Buikvlies of peritoneum.

- dubbele laag vormt ophangband van de darm: darmscheil / mesenterium ( plooi van buikvlies).

- tussen twee lagen vetcellen, bloedvaten, zenuwen en lymfeknopen.

- scheilswortel : ophangpunt aan rugzijde; erin darmslagader. ( oorsprong waar je alles bij elkaar kan pakken).

- plooien van mesenterium : grote en kleine net om maag en darmen.

 

Mondholte.

Begrensd door onderkaak, lippen, wangen en gehemelte.

Opgevuld door  tong:

- zeer beweeglijk

- veel spiertjes

- tong zit vast aan tongbeen, onderkaak, mondbodem en tongriempje.

- papillen op tong--) om terugglijden voedsel te voorkomen en smaakpapillen.

Rooster op harde gehemelte / palatum durum:

- plooien op gehemelte

- voorkomen terugglijden.

Zachte gehemelte/ palatum molle: (aan achterzijde bevat gehemelte geen bot meer.)

- bevat geen bot

- afsluiting doorgang naar neusholte bij slikken.

Gebit:

- mechanisch verteren ( verscheuren) --) oppervlakte vergroting.

 

Afvoerbuizen speekselklieren.

Maken voedsel glad om door te slikken.

Speekselklieren:

- glandula parotis(oorspeekselklier) onder het oor, gl. Mandibularis (onderkaakspeekselklier) en lymphonodulus mandibularis tegen de onderkaak en Gl. Sublingualis(ondertongspeekselklier): onder de tong.

Geen enzymen in speeksel ; alleen bij varken ,mens en gans.

 

Tandformule.

- snijtanden : incisivi.

- hoek of haaktanden : canini.

- valse kiezen : praemolares.

- ware kiezen: molares.

 

3-1-4-2

3-1-4-3

( hond)

 

Melkgebit hond:

3-1-3-0

3-1-3-0

 

P1= zeer klein kiesje achter C ( vlak achter de hoektand)  , wisselt niet: persisterende melkkies.

 

Scheurkiezen:

- erg kenmerkend voor gebit hond.

 

Gebitsmomenten.

- leeftijd te bepalen van een hond:

- hond gaat wisselen; I en C op 4-5 mnd, P op 5-6 mnd.

Daarna leeftijdsschatting moeilijk: afslijting onder en boventanden, afzetting tandsteen.

 

2 binnenste snijtanden

4-5 wk

3de snijtand

4wk

hoektanden

3-4 wk

1ste praemolaar ( wolfskies)

4-5 mnd

2de praemolaar

4-5 wk

3de &4de praemolaar

3-4 wk

1ste molaar

Na 4 mnd

2de molaar bovenkaak

Na 5-6 mnd

2de molaar onderkaak

4,5-5 mnd

3de molaar

6-7 mnd

Wisselen snijtanden en hoektanden

4-5mnd

Praemolaren wisselen

5-6mnd

 

Bouw van tanden en kiezen:

Kroon, hals en wortel.

- tandbeen / ivoor of dentine

- tand- of pulpaholte waarin bloedvaten, lymfevaten en zenuwen.

 

Soorten tanden:

Brachiodonte tanden:

- hond,kat en runs

- korte kroon, duidelijke hals en wortel.

- email alleen op kroon, cement alleen op wortel.

Hypsodonte tanden:

- paard

- lange rechte kroon, geen aparte hals, overgaand in lange wortel.

- email op kroon, grootste deel wortel en in plooien kauwvlak ( ook wel cement).

 

Email of glazuur bedekt de kroon.

- niet bestand tegen inwerking zuren

- zuren gevormd door bacteriën die suikers omzetten; in voeding hond geen suikers en in speeksel geen amylase dat zetmeel kan omzetten in suikers daardoor eigenlijk nooit cariës.

 

Cement zit in de wortel eromheen tandvlies, vergroeid met beenvlies van kaak.

 

 

Vleeseter: scherpe en puntige tanden en kiezen om te scheuren.

Planteneter: tanden scherp, kiezen plat om te malen.

Schaargebit: boventanden juist over ondertanden.

Bovenvoorbijter ( boven te lang) en ondervoorbijter ( onder te lang, centenbak).

Tandsteen: bestaat uit kalk, slijm en voedselresten.

 

Keelholte / farynx.

Toegang tot slokdarm (oesophagus) en luchtpijp ( trachea).

Uitmonding buis van eustachius.

Kruising voedsel- en luchtweg.

Voorkomen verslikken:

- strottenklepje over luchtpijp

- optillen zachte verhemelte ( huig).

 

Slokdarm:

- wand ruim / elastisch.

- slijmvlies in plooien

- peristaltiek beweegt voedselbrok verder

- dwarsgestreept spierweefsel maar onwillekeurig

- achter luchtpijp, in mediastinum ( ruimte tussen li en re long), door middenrif naar maag; cardia.

( maag ligt het dichtsbij het hart).

Bij veel dieren is de cardia onder ontwikkeld, waardoor braken vergemakkelijkt wordt.

 

Maag:

- eenmagig: enkelvoudig lumen of eenvoudige maag. Is zeer elastisch.

- gespierd orgaan, linksliggend achter middenrif.

- cardia toegangvan de maag, pylorus/ maagportier uitgang.

- begin en einddeel bevatten veel slijmcellen.

- fundusdeel; ( middendeel) klieren die zoutzuur en enzymen produceren, is van belang voor de vertering.

 

Voedsel:

- in lagen opgeslagen, laatste binnen in het midden.

- slokdarmsleuf ( tussen cardia en pylorus verloopt het slijmvlies als in een soort geul)vervoert kleine beetjes vloeistof ( bijv. Melk)

Klieren in fundus produceren:

Maagzuur:

- ph daalt tot 2 als maag leeg is.

Functie van maagzuur:

- sterk oplosmiddel van bijv. benige voedselbestanddelen.

- dodelijk voor micro- organismen.

- activeert pepsinogeen.

 

Pepsinogeen( voor- enzym)

- wordt door maagwandkliertjes geproduceerd.

- omgezet in pepsine dat eiwitketens afbreekt.

Slijmbarriere beschermt maagwand tegen beschadigingen door zuur; ulcus ( zweer) of maagbloeding.

-afscheidingsproduct  van de fundusklieren is het chymosine of lebferment; zorgt voor stremmen van de melk.

Dus maagwandkliertjes produceren: pepsinogeen, zoutzuur en chymosine/lebferment.

 

Intrinsieke factor: (product van de maagwandkliertjes) ( intrinsic = van binnen uit)

- nodig om in darmen vit. B12 uit darm in bloedbaan op te nemen. Tekort geeft pernicieuse anaemie.

 

Tenslotte kan in de maag ook wat lipase worden gevonden, dat een begin maakt met de vetvertering.  Dat komt in de maag terecht als gevolg van teruglekken uit de dunne darm. In een lege maag vindt je dan ook meer lipase als in een volle maag.

 

Dunne darm:

- duodenum: 12- vingerig, vrij kort. Bevat uitmondingen lever/ galblaas en alvleesklier/ pancreas.

- jejunum: lege darm/nuchtere darm, bij sectie geen voedsel.

- ileum: kronkeldarm ( langste stuk) , overgang naar dikke darm.

Dunne darm opgehangen in darmscheil.

Nuchtere darm en kronkeldarm opgehangen aan mesenterium.

Basisch milieu in de darmen  ; maagzuur moet snel worden geneutraliseerd door  natriumcarbonaat uit alvleesklier.

 

Pylorus;

- kringspier tussen maag en dunne darm

- werkt op basis van zuur - base verschillen, opent zich zodra het milieu in de 12-vingerige basisch is.

- en zenuwimpulsen en weefselhormonen

Alvleesklier: stimulatie door sekretine ( stofje komt vrij) door zuur voedsel in dunne darm.

( afgifte natriumcarbonaat en enzymen).

Vet eten zal langer in de maag moeten blijven dan vetarm voedsel. Pas wanneer de vrije vetzuren o.i.v. natriumbicarbonaat zijn gekomen en zijn afgevoerd naar verderop in de darm , zal de pylorus zich weer openen.

 

Gal bavt 2 hoofdbestanddelen:

1) Galzure zouten:

- emulgeren grote vetbolletjes

- ondersteund door peristaltiek van darm; borborygmi: opborrelend verteringsgas in darm.

- door opp. Vergroting van het vet kan nu lipase uit alvleesklier beter inwerken. Vanwege deze nuttige functie wordt groot deel van de galzure zouten verderop in dunne darm opgenomen door bloedbaan en …

- deel opnieuw  teug naar lever voor hergebruik.

2) Galkleurstoffen:

- geen betekenis voor vertering , maar afbraakproducten van de haemgroep uit het haemoglobine van de rode bloedcellen.

 

Galblaas is opslag.

---ase = enzym

 

Chemische vertering:

- alvleesklier/ pancreas is verantwoordelijk voor chemische vertering.

- ligt langs 12- vingerige darm

- afvoergangen naar 12-vingerige darm: ( ductus pancreaticus, gangetjes)

- t.b.v vertering van vetten produceert alvleesklier lipase. glyceriden, ffa, glycerol

-t.b.v vertering koolhydraten produceert alvleeskl. amylase: zetmeel--) maltose

- ook voor vertering van eiwitten produceert alvleeskl. Enzymen >( chymo)trypsinogeen: werkzaam gemaakt door enterokinase uit darmwand. Eiwitten verknipt.

Waarbij dus lipase en amylase enzymen zijn die worden afgegeven.

 

Jejunum en ileum:

- uitstulpingen in slijmvlies: darmvlokken/ villi

- crypten van Lieberkuhn: tussen villi. Hierin afvoer darmwandkliertjes vormen:

Natriumbicarbonaat en enzymen:

- beetje lipase ( te weinig als pancreas wegvalt)

- sacharase en lactase

- erepsine voor de eiwitten--) tot vrije aminozuren

Dus in dunne darm worden de laatste fysische voedselverkleiningen en de voornaamste chemische vertering uitgevoerd.

 

Slechts onder rustige omstandigheden zal de bloedbaan zoveel mogelijk bloed naar het darmkanaal sturen.

 

Oudere dieren

- produceren geen lactase meer

- Melksuiker(wordt niet verteerd)--) dikke darm bacteriën--) vetzuren.

Onvoldoende geneutraliseerd --) prikkeling darmslijmvlies: diarree.

- waterstofgas vrij: explosief uitgeademd (boeren)

 

Dus dunne darm:

- voornaamste chemische vertering

- laatste fysische vertering

- opname eindproducten in de bloedbaan, t.h.v darmvlokken;

- van darmlumen > capillair(kleinste bloedvaatjes). Passief en actief transport.

- via v. Porta en sinusoiden naar v. Hepatica en v. Cava caudalis. ( vetten andere route).

- bloed naar mgdstelsel> niet naar hersenen

- opname electrolyten

- neonataal: antilichamen opgenomen uit colostrum (biest).

Bloed gaat vanuit darmen eerst langs de lever.

 

Lymphe:(zorgt voor afweer)

- vocht dat uit capillairen treedt en niet terug gaat

- ook vocht dat uittreedt bij villi

- via chylvaten (van darmen af)en borstbuis terug naar het hart

Opname vet lastiger:

- lange vetzuren afgevoerd via lymphevaten en vena cava ( grote holle ader)

- in vorm van chylomicronen

Overige voedselbestanddelen richting dikke darm: kleppen van Bauhin ( terugstromen van voedselbrij verhinderen)

(Op overgang dunne naar dikke)

 

Dikke darm (begint met:)

Caecum/ blinde darm;

  • Bij hond niet sterk ontwikkeld. Bij paard juist wel. ( appendicitus bij de mens, ontsteking blinde darm niet bij dieren)

Colon/kartendarm (middelste gedeelte); bestaat uit 3 delen ( ascendens, transversum en descendens).

  • Bouw lijkt op dunne darm ( i.t.t mens en andere diersoorten: spierlagen deels: taeniae= lintvormige stroken).
  • Loopt van rechtsonder, recht omhoog, buigt af naar links, dan naar beneden en eindigt in einddarm/  endeldarm/ rectum en anus.

 

 

Dida inwendig:

  • In het begin nog crypten maar geen enzymproducerende kliertjes.
  • Nog wel productie natriumcarbonaat
  • Vlokken minderen en verdwijnen
  • Verteringsproces stagneert > resorptie voedselbestanddelen, water en zouten.
  • Bewegingen :
  • Haustraal: mixen en grote oppervlak voor absorptie
  • Massabewegingen
  • Antiperistaltisch

Bevat uitgebreide darmflora: bacteriën.

  • Verteren cellulose uit plantencelwanden ; omgezet in azijn/boter/propionzuur.
  • Einde colon: productie van vit. B12 en K.
  • Rottingsbacterien, voedselrestanten omvormen zodat ze door bacteriën in uitwendig milieu makkelijk kunnen worden afgebroken  tot voedingsstoffen voor planten.

Endeldarm vooral opslagplaats faeces, afgesloten door halfwillekeurige anusspier.

 

Klieren in en om de anus:

  • Anaalklieren: in de anus: om defaecatie te vergemakkelijken.
  • Circumanaalklieren: net buiten anus, om huid daar zacht en soepel te houden; geven specifieke geur af.
  • Anaalzakkliertjes: stinkend spul opgeslagen in anaalzakjes. Uitmonding op 5 en 7 uur.

 

Spijsvertering paard.

Planteneters hebben aanpassingen om cellulose af te breken.

  • Gebit
  • Micro-organismen om cellulose af te breken.

(is dus verschil met vleeseters)

  • Afgebroken tot vluchtige vetzuren en deze kunnen worden benut.
  • Paard: caucum. Rund: pens.
  • Verschil: fermentatie resp. na en voor de digestie.

( paard: de door cellulose verpakte eiwitten, vetten en koolhydraten gaan grotendeels verloren, alsmede die van microben).

 

Weg van het voedsel.

Zachte tong; paard gebruikt tanden en lippen om voedsel te pakken.

Tong bevat smaak- en mechanische papillen.

Ruwvoer goed kauwen en kneuzen om vertering te bevorderen.

  • Sterke kiezen, bedekt met cement , ook op de kroon.
  • Email op de randen van de groeven.
  • Beiden verschillende afslijting : ruw oppervlak. ( leeftijdsbepaling).

 

Dier maalt opzij; kiezen slijten op elkaar.

Bij problemen haken op de kiezen; eetstoornissen.

Brok door tong in keelholte geduwd; strotteklepje sluit luchtpijp af.

Persitaltiek duwt voedselbrok in maag.

  • Enkelvoudige maag
  • Sterk afsluitende cardia en schuine implant oesophagus: paard kan niet echt braken. ( wel braken, door de neus).

 

Maag met curvatura major en minor ( kleine bocht, grote bocht)

Cardia en pylorus dicht bij elkaar.

Klieren vormen slijm dat maagwand beschermt.

Klierloos en klierrijk deel.

Fundusklieren vormen ook pepsinogeen, o.i.v van HCL omgezet in pepsine.

 

Opvallend bij paard:

  • Caecum  ( 35 liter) en colon ascendens (opstijgend) ( 6-8 m, 100 liter)
  • Groot
  • Kop caecum t.h.v rechterheup en loopt naar voren/ beneden naar middenrif.
  • Colon ascendens: 2 hoefijzers op elkaar met ronding bij middenrif.
  • Omslag colon bij bekken geeft ook smallere doorgang: verstoppingen.

( bijv. bij zandkoliek).

 

Dunne darm: chemische vertering van bereikbare vetten, eiwitten en koolhydraten.

Caecum en colon: veel micro-organismen om r.c. af te breken en te benutten.

  • Voedsel verblijft daar lang ( 18-22uur)
  • Vluchtige vetzuren gevormd die paard kan gebruiken.
  • Microben via mest verloren.

In dikke darm verder indikking door zout-en wateropname.

Gevolg: moet vaker en langer grazen.

 

Ademhaling en ademhalingsorganen.

 

Luchtsamenstelling:

Stikstof, zuurstof en kooldioxide, restant edelgassen en afvalgassen.

N2:79%

  • Meest aanwezig (79%) in de lucht
  • Kan lichaam niet benutten
  • Zit wel in voedsel: eiwitverbindingen en Vit. B

O2: 20%

  • Om in cel voedingsstoffen te verbranden
  • Energie komt vrij
  • Glucose + zuurstof> koolzuurgas +water+energie

CO2: 0,03%

  • Bij verbranding koolzuurgas vrij> broeikaseffect
  • Wordt voorkomen:
  • Planten zetten CO2 weer om in O2
  • Koolzuurgas opgelost in (zee) water> carbonaat, wordt benut door schaaldieren.
  • In krijtriffen verwerkt en beschikbaar als voederkalk of krijt…

Edelgassen:

  • Voor industriële toepassingen
  • Bijv. argon tussen HR-dubbelglas: isoleert beter
  • Neon en xenon:plasma tv.

Afvalgassen:

  • Met O2> zure verbindingen in de bodem
  • CO ontstaat bij slechte verbranding / te weinig zuurstof, bij slecht afgestelde motoren/kachels.
  • CO bindt sterk aan ery’s : verliezen hun functie

Water na verbranding:

  • Katabool water
  • Verwijderd via nieren of uitgeademd.

 

Respiratieapparaat.

Transportgedeelte:

  • Transport in –en uitgeademde lucht
  • Verwarming
  • Bevochtiging
  • Reiniging
  • Reuk
  • Stemproductie

Gaswisselingsgedeelte:

  • Bloed voorzien van O2
  • CO2 afvoeren uit bloed
  • Functie bij regelen pH extracellulaire vloeistof
  • Onderdeel temperatuurregulatie
  • Eliminatie van water

 

Gaswisseling:

Ademhalingsorganen:

  • Door inademing lucht opnemen
  • Zuurstof overgeheveld naar bloedbaan
  • Koolzuurgas uit bloedbaan verwijderd
  • Diep in de longen verschillen % van luchtsamenstelling

 

Bouw ademhalingsorganen.

Aanvoerende luchtwegen/ transportdeel:

  • A)Neusholte,B) keelholte /farynx met strottenhoofd en C) luchtpijp,bronchi en bronchioli.
  • Sinussen :
  • Met lucht gevulde holtes in schedelbeenderen
  • Met slijmvlies bekleed
  • Verbinding met neusholte
  • Sinusitis ( sinus frontalis bij rund na onthoorning, sinus maxillaris kiesowrtelontsteking paard).
  • Luchtzakken paard: ventrale uitzakking buis van eustachius (Functie onbekend).
  • Luchtpijp met vertakkingen

Gasuitwisselingsdeel:

Longen: elastisch om grote hoeveelheid lucht te kunnen bevatten.

 

Neusholte ( cavum nasi).

 

Neustussenschot met kraakbeen.

 

Neusschelpen/ conchae verdelen neus in 3 gangen.

Maetus nasi ventralis : onderste in verbinding met keelholte = ademgang.

Meatus nasi medius (sinusgang) en dorsalis (reukgang): middelste en bovenste gang, lopen min of meer dood met opening naar sinussen.

 

Neusslijmvlies in gehele neusholte:

  • Trilhaarepitheel: haarvormige uitstulpingen van celmembraan, wapperen vuil naar buiten.
  • Slijmcellen: vangen vuile stoffen, bevochtigen lucht.
  • Reukcellen met zenuwuitlopers.

 

Ademen door de neus:

  • Verschillende soorten gassen waarnemen.
  • Lucht verwarmd mogelijk door afstand. Door mond afkoeling: hijgen.
  • Door slijm lucht bevochtigd wat uitdroging voorkomt van luchtwegen.
  • Lucht gezuiverd en van vuil ontdaan.
  • Paard is een obligaat nose-breather.

 

Keelholte:

Strottenhoofd:

Op overgang keelholte naar luchtpijp.

5 kraakbeentjes met stevig vlies, waaronder epiglottis ( bij slikken als dekseltje op luchtpijp.)

Stembanden met stemspleet:

  • Doorgang door kraakbeenverplaatsing kleiner of groter
  • Spanning van stembanden veranderd door draaien
  • Bij uitademen banden in trilling

Met kiezen, tanden, tong, neus en lippen: geluid.

 

Larynxparalyse = stembandverlamming.

  • Dier kan kraakbeentjes niet meer terugschuiven
  • Door verlamming spieren :erfelijk, in hersenen bijv. bij Bouvier.
  • Cornage bij het paard: linker stemband.

N. laryngus recurrens= zenuwaandoening met erfelijke achtergrond, bijgeluid en luchtdoorgang vernauwd.

 

Strotteklepje:

Sluit luchtpijp af, erlangs gootjes voor voedseltransport naar slokdarm.

Strottehoofd opgehangen aan schedel, verbinding door tongbeen.

Normaal slokdarm gesloten en luchtpijp open.

Bij slikken net andersom.

Ademhaling dan dus even stil.. wekt slikreflex op.

 

Trachea/ luchtpijp

Kraakbeenringen als skelet.

Ringen gesloten door spiertjes: diameter variabel.

Binnenzijde bekleed met slijmvlies.

In borstkas vertakking in 2 bronchi; ook met kraakbeenringen.

 

De longen.

Bronchi > bronchioli  met kraakbeenringen.

Alveolaire of respiratoire bronchioli:

  • Kraakbeen verdwijnt: dunne wand voor uitwisseling met capillairen.
  • Monden uit in longtrechtertjes: longblaasjes of alveoli.
  • Zeer dunne wanden en zodoende passage zuurstof mogelijk.

O2 gaat van hoge druk naar lage druk.

O2 gebonden aan rode bloedcellen.

CO2 naar longen: gebonden aan water. Enzym koolzuurgasanhydrase en zink nodig om te verbeteren.

 

Bouw van longen.

  • Lobulus : verzameling van aantal alveoli met kapsel.
  • Bindweefselkapsel erg dik, bij hond vrijwel niet zichtbaar.
  • Lobuli verzamelen tot lobus/longkwab
  • Li en re 3 kwabben, li nog bijkwab
  • Bij paard nauwelijks insnijdingen

 

Vliezen borstholte ( 3 onderdelen)

Borstvlies of pleura:

  • Parietale en viscerale blad ( longpleura en ribpleura)
  • Ertussen pleurale holte met wat vocht

Mediastinum:

  • Scheidingswand li en re
  • Erin grote bloedvaten, slokdarm en luchtpijp
  • Ter hoogte van het hart vormt het hartezakje

Longvlies.

 

Alle 3 Sereuze vliezen: 4 kenmerken!! glad, glanzend , vochtig en doorschijnend.

Langs elkaar glijden > belangrijk bij de respiratie.

Pneumonie > pleuritis > beweeglijkheid longen aangetast.

Onderdruk in ruimte tussen vliezen helpt bij ademhalen :passief proces.

Atelectase: samenvallen van longblaasjes.

  • Bij klaplong ( luchtdrukverschil) ; gat in een der vliezen
  • Bij foetus

 

Adembewegingen:

Vullen en ledigen van longweefsel is passief proces; door onderdruk tussen borst-en longvlies.

Bij inademen:

  • Ruimte in borstholte groter: onderdruk groter, trekt longen mee.
  • Luchtdruk buitenlucht groter> lucht naar binnen.

Bij uitademen:

  • Longen leeg gedrukt, ruimte borstholte kleiner, verschil in druk kleiner> lucht naar buiten.

 

Atelectase.

Verwonding van binnen of van buitenaf met gat in een der vliezen:

  • Drukverschil verdwijnt
  • Long schrompelt ineen
  • Alveoliwanden kunnen verkleven
  • 2-zijdig : einde ademhaling…

Bij ongeboren dieren: zuurstof via navelstreng.

Obstructie in een bronchi: geen lucht in deel van long; valt samen.

 

Borst- en ademhaling.

Inademing:

  • Borstademhaling: ribben verplaatsen zich aan wervels naar voren en borstbeen gaat iets naar voren.
  • Buikademhaling: middenrif wat eerst bol stond wordt afgeplat en staat uiteindelijk iets hol t.o.v borstholte. Organen in buikholte maken plaats en buikspieren ontspannen.

Uitademhaling:

  • Borstademhaling: ribben scharnieren terug door tussenribspieren en zwaartekracht.
  • Buikademhaling: middenrif klapt terug en buikspieren duwen buikorganen terug.

 

Longelasticiteit.

Rol bij leegduwen longen.

Minder elastisch of deels afsluiting bronchiën:

  • Meer restlucht blijft achter
  • Minder zuurstofuitwisseling mogelijk
  • Zuurstofgehalte bloed kan dalen
  • Kan resulteren in benauwdheid: extra druk op longen en uiteindelijk
  • Samenknijpen buikspieren om middenrif nog verder naar voren te duwen: dubbelslag.

 

Dubbelslag  kan fataal verlopen als bronchiën deels afgesloten zijn ( bv. Door slijmvorming, allergie).

 

Ventielwerking:

  • Lucht kan er wel in maar niet meer uit door afsluiting.
  • Longen opgepompt
  • Door extra druk om longen leeg te maken > scheurtjes in alveoli
  • Lucht tussen alveoli in bindweefselkapsel.: emfyseem.
  • Dubbelslag sterker en nog meer weefsel kapot
  • Scheur in borstvlies : samenvallen long
  • Dampigheid

 

Ademhalingsfrequentie.

Bij onderzoek let je bij ademhaling op:

  • Type
  • Ritme
  • Frequentie

Paard : 8-14 per min.

Hond: 10-30 per min.

Konijn: 50-60 per min.

Bepaald door: leeftijd, dracht, temp./ vochtigheid omgeving, psychische oorzaken ( angst, stress), conditie, vermoeidheid, bepaalde ziektes, koorts.

 

Bloed en bloedvatenstelsel.

Functies van bloed:

Transport:

  • Zuurstof, koolzuurgas, voedselbestanddelen en afvalstoffen (>nieren)
  • Hormonen
  • Warmteverdeling lichaam en warmteafgifte via huid

Bescherming:

  • Bloedstolling geeft sluiting en genezing van wonden
  • Immuniteitshandhaving/afweer

Intern milieu:

  • Vochtbalans lichaam op peil houden
  • Zuurgraad op peil houden

 

Bloedsamenstelling: hoeveelheid bloed is 1/13 tot 1/14 van totale lichaamsgewicht.

 

45% zijn bloedcellen.

  • Rode en witte bloedcellen, bloedplaatjes.

55% is plasma.

  • 90% daarvan is water
  • Rest is voedselbestanddelen, hormonen, opgeloste gassen, afvalstoffen en bloedeiwitten.

 

Bloedeiwitten:

Fibrinogeen:

  • Omgezet tot fibrine bij stolling

Prothrombine:

  • Omgezet tot thrombine bij stolling en bevordert omzetting fibrinogeen.

Globulines:

  • Afweerstoffen tegen ziekte-kiemen

Albumine:

  • Samen met opgeloste zouten: osmotische waarde van het bloed. Tekort geeft oedeem.

 

Oedeem:

Onvoldoende eiwitten in de voeding of eiwitverlies: te laag albumine gehalte in het bloed.

Vocht treedt uit de bloedvaten; voornamelijk in de buikholte > hydrops ascites.

Voorbeeld: spoelworminfectie bij pups.

Stuwingsoedeem bij hartfalen, leverproblemen.

 

Bloed.

Plasma:

  • Bepaling van concentratie allerlei stoffen in laboratorium.
  • Bloedcellen en plaatjes verwijderd ( door onstolbaar gemaakt bloed te centrifugeren).

Plasma-eiwitten:

  • Gevormd in lever: albumine, alfa en beta-globulines.
  • Lymfocyten/plasmacellen: gamma-globulines.
  • Functie: osmotische waarde, transport, afweer, stolling.

Serum:

  • Plasma zonder fibrinogeen; stollingseiwitten verwijderd ( bloed laten stollen en dan centrifugeren).
  • Bevat globulines/ antilichamen (afweerstoffen) geschikt als geneesmiddel. ( passieve immunisatie < > actieve immunisatie.

 

Erythrocyten of rode bloedcellen.

 

Aanmaak in rode beenmerg. ( bij foetus ook in lever, milt)

Vorm: bij zoogdieren rond en hol ( biconcaaf) en zonder kern.

Bij vogels ovaal en wel een kern.

Hemoglobine geeft rode kleur:

  • Haemgroep met 4 globuline-eiwitten met Fe.
  • O2 gebonden in zuurstofrijke omgeving , afgegeven in zuurstofarme omgeving.

Hb bindt aan:

Zuurstof:

  • Oxyhemoglobine, helderrood in slagaders.

Kooldioxide:

  • Carbaminohemoglobine, donkerder rood in aders.

Hb kan ook binden aan andere stoffen:

  • Onlosmakelijk dus geen O2 transport mogelijk:
  • Nitriet: bruin bloed
  • Cyanide: kaliumcyanide vergiftiging
  • Koolmonoxide: CO-vergiftiging.

 

Ery’s:

Beperkte levensduur; 100dg.

Afgebroken in milt of lever;

  • Ijzer voor hergebruik naar beenmerg gestuurd
  • Haemgroep in lever afgebroken:
  • Tot biliverdine en bilirubine: galkleurstoffen geven faeces kleur.
  • Urochroom: naar bloed en dan in urine gele kleur.

 

Slijmvlieskleuren:

  • Bruin: bij nitrietvergiftiging.
  • Bleek: bloedverlies, verminderde aanmaak  of bloedafbraak.(anaemie)
  • Rood: bloedophoping, meestal lokaal bij ontsteking of bloedindikking, hyperaemie.
  • Geel: bij massale afbraak rode bloedcellen of gestoorde functie lver/ galgangblokkade. (icterus).
  • Blauw: bevat weinig zuurstof, zeer donker van kleur, door storing in de bloedsomloop, cyanose.

 

Leukocyten of witte bloedcellen:

Granulocyten:

  • Polymorfkerige leucocyten: PMK’s
  • Bevatten granula
  • Bij acute infecties, parsitaire ziektes, allergieen.
  • Levensduur enkele uren tot jaren
  • Transport via bloed, werking in de weefsels

 

Agranulocyten:

  • Macrofagen/monocytren:
  • Fagocyteren bacteriën, virussen, stofdeeltjes e.d. meestal ziektekiem gedood. Anders MQ dood; pus= dode macrofagen.
  • Lymfocyten:
  • Onder te verdelen in T en B lymfocyten
  • Werken bij specifieke immuunreacties:
  • Herkennen ziektekiem, labelen, en doen uiteenvallen.
  • Ontwikkelen cellulaire immuniteit.

 

Thrombocyten of bloedplaatjes:

Celrestanten, geen kern.

Functie bij bloedstolling:

  • Omzetting reeks stollingsfactoren uiteindelijk tot fibrine.
  • O.i.v. stoffen uit beschadigd weefsel, stoffen uit bloedplaatjes en calcium.
  • Haemofilie: als een der factoren ontbreekt ene r dus geen stolling optreedt. ( erfelijke aandoening: mannen> vrouwen).
  • Soms stolling in bloedvat na beschadiging : trombose.

Als stukje van stolsel loslaat heet dat een embolie. Als dit vastloopt in weefsel en dit laat afsterven: infarct.

Als bloedvat wordt afgesloten: stuwing en bloedvloeistof uit vaten: stuwingoedeem.

 

Bloedstolling.

Stoffen die stolling verhinderen:

  • Citraat en oxalaat binden met calcium
  • Heparine uit de lever; gebruikt om bloed te bewaren voor transfusie.
  • Coumarinederivaten; werken vit. K tegen:
  • Inwarfarine : rattengif.
  • Bij vergiftiging : vit. K toedienen, infuus en evt. bloedtransfusie.

 

Bloedvaten:

Slagaders of arteriae:

  • Vanaf het hart, vertakken naar en in organen.

Aders of venae:

  • Naar het hart toe.

Haarvaten/ capillairen:

  • Zeer dunne wand: voedingsstoffen en zuurstof naar de cel.
  • Afvalstoffen van de cel weg.

 

Verschillen:

aders

slagaders

Naar hart toe

Van hart af

Dunne ongespierde wand

Dikke, gespierde wand

Bloed voortgestuwd door lichaamsbewegingen

Bloed erin geperst vanuit hart

Lage stroomsnelheid, lage bloeddruk, kloppen niet

Hoge stroomsnelheid, hoge bloeddruk, kloppen

Vaak oppervlakkig

Diep gelegen

Over gehele lengte kleppen

Alleen kleppen in begin

Verwonding minder gevaarlijk

Gevaarlijk

 

Het hart.

  • Centraal in bloedvatenstelsel
  • Pompfunctie
  • Tussenschot/ septum , verdeelt in li en re helft.
  • Kamers en boezems: atrium en ventrikel
  • Opbouw hartwand: pericard: sereus vlies om hart, hartezakje. Myocard: hartspier. Endocard: binnenbekleding hart.
  • Aan –en afvoerende vaten aan bovenzijde.
  • Septum aangegeven aan buitenzijde door sulcus waarin kransslagader.
  • Tussen boezems en kamers kleppen: li: bicuspidales. Re: tricuspidales.
  • Tussen kamers en slagaders: valvulae semilunares.

 

 

Bloedsomloop of circulatie:

Pulmonaire en systemische circulatie:

  • Vena cava
  • Rechterboezem
  • Rechterkamer
  • Longslagader
  • Longen
  • Longader
  • Linkerboezem
  • Linkerkamer
  • Aorta
  • Capillairen
  • Vena cava

Linker kamer: krachtige dikke spierwand om bloed door lichaam te pompen.

Rechter kamer: alleen naar longen pompen.

 

Bloedsomloop:

Dubbele bloedsomloop:

Een kleine circulatie naar de longen, alleen voor gasuitwisseling en een grote circulatie door het gehele lichaam voor uitwisseling voedingsstoffen, zuurstof en afvalstoffen naar alle lichaamscellen.

  • Kleine circulatie: rechterboezem> rechterkamer> longslagaders> longen… gasuitwisseling.. longaders> linkerboezem> linkerkamer.
  • Grote circulatie: linker kamer> aorta> vertakkingen aorta> slagaders.. stofwisseling..> aders> holle aders> rechterboezem.

 

Hartcyclus:

1)      Boezems trekken zich samen: bloed naar kamers gestuwd. Boezem-kamerkleppen open, kamer-slagaderkleppen dicht.

2)      Kamers trekken zich samen: bloed in slagaders. Boezem- kamerkleppen gesloten en kamer-slagaderkleppen open. Boezems weer deels gevuld.

3)      Rustperiode van het hart: boezems en kamers stromen vol. Boezem-kamerkleppen geoepend.

Bij wegpompen bloed:

Samentrekken boezems:

  • Naar kamers gestuwd.

Kamers trekken zich samen:

  • In slagaders gestuwd. Boezems weer gedeeltelijk gevuld.

Rustperiode:

  • Boezems en kamers stromen vol.
  • Hartweefsel van voedingsstoffen en zuurstof voorzien.

Via kransslagaders: eindarterie.

Afsluiting van vertakking: afsterven achterliggend deel geeft een hartinfarct.

  • Duurt net zolang als samentrekken boezems en kamers.
  • Tijdens rust: frequentie langer.

 

Polsfrequentie.

Pulsatie van perifere arterie;

Uitwijking arteriewand vanuit het hart plant zich voort als golf naar de periferie.

Paard:

  • A.facialis/ maxillares externa.
  • 28-40 per minuut

Hond:

  • A. femoralis
  • 60-120 per minuut

Konijn:

  • 120-140 per minuut

 

Hart/ polsfrequentie.

Op de linker borstkashelft, voelen met hand of luisteren ( auscultatie)

Hoogte afhankelijk van diverse factoren:

  • Leeftijd, grootte, conditie en arbeid, drachtigheid, geslacht, houding enz.)

Aescultatie;

  • M.b.v stetoscoop
  • Brr-tup: ventrikelcontractie (systole)- ventrikelrelaxatie (diastole).
  • Hartruis: systolisch of diabolisch
  • Shunts, klepinsufficientie, klepstenose
  • Vergrote hartbelasting

 

Innervatie:

3 zenuwcentra in het hart:

  • Sinusknoop in rechterboezem
  • Knoop van Tawara op boezem-kamer overgang
  • Bundel van His: vanuit Tawara bundel zenuwvezels via septum naar kamerwanden.

CZS > sinusknoop> Tawara:

  • Geen zenuwweefsel om prikkel over te brengen maar door hartspierweefsel
  • Blokkade tussen CZS en sinusknoop: sinusknoop gaat hartslag reguleren: freq. 25% lager.
  • Als sinusknoop uitvalt: regelt Tawarabundel: fr. 50% lager.

 

Poortaderstelsel.

  1. Gastroduodenalis/ scheilslagader:
  • Aftakking aorta: splitst op in maag- en darmslagader
  • Staat zuurstof en voedingsstoffen af en neemt afvalstoffen op.

Samensmelting darm- met miltader:

Poortader/ v.porta.

Poortader naar de lever: leverpoort.

Vertakt in capillairen > “verwerking”bloed> leverader.

Leverpoort: komen dus a.hepatica en v. porta binnen.

  • Detoxificatie , verwerken/ opslag nutriënten, zuurstof.

Bloed verlaat lever via v. hepatica> v. cava caudalis.

 

Milt:

  • Zuivert het bloed van bacteriën,
  • Breekt oude ery’s af
  • Kan grote hoeveelheden bloed opslaan ( bij zware inspanning bloed in bloedbaan gebracht).
  • Bij zware inspanningen trekt de milt zich samen waardoor er meer bloed in bloedbaan wordt gebracht> steek in zij.

Vroeger trad in meeste gevallen bij bloedtransfusie agglutinatie op.

Er zijn 4 bloedgroepen: A, B, AB en O.

Voor bloedtransfusie is alleen antigeen A belangrijk.  Als je bij A+ donor A- acceptor doet treedt agglutinatie op.

Bij A + bloed  A+ acceptor dan geen agglutinatie maar nieuwe bloedcellen worden al na enkele uren afgebroken.

 

Uitscheidingsorganen.

Nieren:

Vorm diersoort verschillend : renculi ( als beide nieren verdeeld zijn in zelfstandige, los van elkaar liggende onderdelen) geheel vergroeid bij varken,hond en kleine herkauwers.

Plaats van de nieren naast de aorta, hoog tegen de rug, linkernier ligt verder naar achter om ruimte te geven aan de maag.

Omgeven door nierkapsel als plooi van buikvlies.

Reuzel: vetvoorraden in kapsel. Bij honden vinden we vetvoorraden tussen het buikvlies en de buikwand.

 

 

Nier op doorsnede;

Nierschors: buitenste laag met bolletjes.

Niermerg: lijnstructuur.

Nierbekken: urine verzameld.

 

Nieren zijn opgebouwd uit nefronen.

Nefronen:

1) begin is glomerulus of lichaampje van Malphigi:

- liggen in de schors

- bestaat uit kapsel van Bowman dat capillairennetwerk omhult

- glomerulus = filter; allerlei stoffen doorgelaten in kapsel van Bowman: filtraat noemen we primaire urine.

- alleen grote stoffen en bloedcellen in bloedbaan achter.

 

2) buizenstelsel met lus van Henle in merg:

- terugresorptie van nuttige en bruikbare stoffen zoals glucose, water en zouten, klein deel via osmose.

- achtergebleven afvalstoffen vanuit bloed naar urine

- processen kosten veel energie

- werking gereguleerd door hormonen ( aldosteron, ADH)

 

3) verzamelkanaaltjes > nierbekken.

 

Urineblaas:

Gespierde holte met rekbare wand.

Ureter en urethra: de afvoerweg vanaf de blaas naar buiten wordt eveneens urinebuis genoemd, maar om hem van de ureter te onderscheiden is de technische aanduiding hier urethra. De ureter verloopt over enige afstand binnen de blaaswand alvorens hij de urine in de blaas deponeert.

Urineleider is ureter. Urinebuis is urethra.

Afgesloten met lipjes resp. kringspier.

Gele kleur door urochroom als afbraakstof van Hb van rode bloedcel.

 

Lever:

- bestaat uit lobben; li, mi en re.

- levereilandje; groepje levercellen.

- centraal ligt levervene , aanvoer via capillairen van leverslagader en poortader.

- tussen cellen liggen galgangen die afvoeren naar galblaas en darm.

- levercellen nemen stoffen op uit bloedbaan of om af te voeren of om terug te sluizen.

 

Leverfuncties:

1)      Productie van gal

2)      Ontgifting van bloed

3)      Stapeling reservevoorraden

4)      Afbraak aminozuren en vitamines

5)      Vorming bloedeiwitten

6)      Vorming hormonen

 

1) productie van gal.

Galzure zouten; emulgeren van vetbolletjes.

- lipase kan beter verteren

- zouten teruggeresorbeerd  in dunne darm ; enterohepatische kringloop.

Galkleurstoffen: afbraakproducten van hemoglobine,verantwoordelijk voor kleur van de faeces.

- afsluiting galgangen

- Hb enorm aanbod

- levercirrhose

 

2) Ontgifting van bloed:

- afvoer van giften uit bloed en darm

- verwijderd en gebonden en  naar nieren afgevoerd

Medicatie: juist actief door binding.

Of juist buiten levercirculatie gehouden.

Per injectie of zetpil.

 

3) Stapeling reservevoorraden:

- glycogeenvoorraden voor spieren

- lever heeft centrale rol in verplaatsingen van vet in bloedbaan en opslag in vetweefsels maar kan ook zelf vet opslaan.

- opslag vetoplosbare vit. A, D, E en K   en wateroplosbare B en C.

 

4) Afbraak en opbouw aminozuren en vit. :

- bij aminozuur verbranding: ammoniakgroep wordt losgekoppeld in de lever; desaminering.

- giftig ammoniak gekoppeld tot ureum en afgevoerd naar de nieren.

- niet - essentiele aminozuren worden in lever gevormd.

- vit. A uit caroteen gevormd en nicotinezuur uit tryptofaan.

 

5) Vorming van bloedeiwitten:

- kan rol van milt overnemen in afbraak van rode bloedcellen.

- Kan bij ongeboren dier rode bloedcellen produceren.

- produceert 95% van eiwitten in bloedplasma;

Prothrombine en fibrinogeen: stolling.

Albumine : vochthuishouding.

 

7)Vorming hormonen:

Somatomedine dat groei lichaam stimuleert.


Foobie gebruiker Dennis50

Auteursinformatie


Geschreven artikelen: 24
Leden aangebracht: 1454

Meer uit de categorie natuur

Warmteverlies of dubbel glas

Wat is dubbel glas en waar dient het voor

De onvoorstelbare krachten van de natuur

In dit artikel vertel ik over natuurgeweld en de gevolgen ervan.

De eendenkooi

Een beschrijving van de eendenkooien door de jaren heen in Nederland en de werking ervan

De rode zonnehoed (deel 2)

De prairie Indianen van Noord-Amerika noemde het kruid slangenbeet en gebruikte het vooral om infecties te bestrijden en bij beten van slagen. Ze kneusden de plant tussen stenen en legden het op wonden.

Vleesetende planten

Vleesetende planten, eten in plaats van gegeten worden