De algemene basisbegrippen van erfelijkheidsleer


Publicatie datum:

Deze lijst van algemene basisbegrippen en de uitleg ervan, kan je makkelijk gebruiken als ondersteunend studiemateriaal.

Gesponsorde koppelingen

Erfelijkheidsleer of genetica is moeilijk om te begrijpen. Vaak worden bepaalde definities niet goed uitgelegd of begrijp je gewoonweg de uitleg niet. Om enkele misverstanden te voorkomen kan je gebruikmaken van deze algemene basisbegrippen, die je een goede ondersteuning zullen geven bij het studeren. Telkens zal het begrip uitgelegd worden op een begrijpbare manier en indien mogelijk zal er een duidelijk voorbeeld gegeven worden.

Gesponsorde koppelingen

1. Soort

Twee individuen behoren tot dezelfde soort als zij zich onderling kunnen voortplanten EN als hun nakomelingen vruchtbaar zijn.

Voorbeeld: Een Golden Retriever is een hond en een Labrador is een hond. Maar behoren zij wel tot dezelfde soort? Het antwoord is ja. Wanneer beiden honden paren, zullen er nakomelingen komen. Deze nakomelingen zullen ook vruchtbaar zijn.  Omdat aan beide voorwaarden voldaan werd, kunnen we vaststellen dat een Golden Retriever en een Labrador tot dezelfde soort behoren.

Voorbeeld: Een paard is een hoefdier en een ezel is een hoefdier. Behoren zij tot dezelfde soort? Het antwoord is nee. Een paard en ezel kunnen zich wel samen voortplanten om nakomelingen (muilezels) te verkrijgen, maar deze nakomelingen (muilezels) zijn niet vruchtbaar. Omdat er niet aan beide voorwaarden voldaan werd, moeten we besluiten dat een paard en een ezel niet tot dezelfde soort behoren.

 

2. Chromosoom

Een chromosoom is een drager van een stukje DNA. Chromosomen hebben een staafvormige structuur en men vind ze terug in de celkern. Omdat de meeste chromosomen per type en per kenmerk veek per twee voorkomen, spreekt men vooral van homologe of diploïde chromosomenparen.

Voorbeeld: Een mens heeft 46 chromosomen of 23 paar chromosomen. Een hond heeft 78 chromosomen of  39 paar chromosomen. Elke soort heeft dus een andere hoeveelheid aan chromosomen.

Voorbeeld: Het syndroom van down is een chromosoomafwijking. Bij deze afwijking heeft een individu een chromosoom teveel. Een chromosoom teveel hebben noemt men trisomie en een chromosoom teweinig hebben monosomie.

 

3. Gen - Genen pool

Een gen is een stukje chromosoom, dat (gecodeerde) informatie bevat over 1 erfelijk kenmerk van een individu. Een genen pool is de verzameling van alle erfelijke kenmerken van een soort

Voorbeeld: Gen x heeft controle over mijn haarkleur, terwijl gen y controle heeft over mijn oogkleur.

4. Allel

Als overeenkomstige genen informatie bevatten over hetzelfde kenmerk, dan noemen we zo'n koppel van overeenkomstige genen allelen of allelenparen. Een allel zorgt voor de specifieke uiting van een gen.

Voorbeeld: Bepaalde allelen zorgen ervoor dat Anne blauwe ogen heeft en dat Marie bruine ogen heeft. Andere allelen zorgen ervoor dat zowel Anne als Marie een zwarte haarkleur hebben.

 

5. Genlocus / chronomeer

Een genlocus of een chronomeer is de plaats waar een gen voorkomt op het chromosoom.

 

6. Homozygoot

Als de allelen van een bepaald kenmerk op beide homologe chromosomen hetzelfde zijn, dan spreekt men van homozygoot.

Voorbeeld: Als alle eigenschappen van een poedel homozygoot zijn, dan is de poedel raszuiver.

Voorbeeld: Als het allel op chromosoom a is blond en het allel op chromosoom b ook blond is, dan is deze eigenschap ('blond') homozygoot en zal dit individu blond haar hebben.

 

7. Heterozygoot

Als de allelen van een bepaald kenmerk op beide homologe chromosomen verschillend zijn, dan spreekt men van heterozygoot.

Voorbeeld: Als een poedel heterozygote eigenschappen heeft, wil dit zeggen dat deze poedel een kruising is, waarbij hij eigenschappen heeft van de moeder (poedel) en van de vader (labrador).

Voorbeeld: Als het allel op chromosoom a blond is en het allel op chromosoom b zwart is, dan is deze eigenschap ('blond' - 'zwart') verschillend en bijgevolg zal dit individu blond of zwart haar hebben.

 

8. Genotype

Het genotype is de informatie zoals deze op de chromosomen voorkomt.

Voorbeeld: Een varken kan beschikken over genen met als kenmerk 'dik zijn'.

Voorbeeld: Een plant kan het kenmerk 'groot' hebben.

 

9. Fenotype

Het fenotype is de fysische verschijningsvorm op het moment zelf (waarbij het milieu een grote rol speelt).

Voorbeeld: Een varken dat beschikt over genen met als kenmerk 'dik zijn', kan enkel dik zijn als er voldoende voedsel beschikbaar is.

Voorbeeld: Als een plant met het kenmerk 'groot' veel zonlicht krijgt, dan zal deze plant groot worden. Als een plant met het kenmerk 'groot' weinig zonlicht krijgt, dan zal deze plant klein zijn. Dit is omdat door het verplaatsen van de plant (veel of weinig zonlicht), het fenotype kan veranderen.

 

10. Variabiliteit: modificatie

Wanneer kenmerken niet te wijten zijn aan de genen, maar wel aan het milieu, dan spreken we van modificaties. Deze zijn niet erfelijk en ook niet blijvend.

Voorbeeld: Proef van Bonnier: Een moederplant heeft in het hooggebergte fysische verschijnselen als dikke behaarde bladeren, gedrongen en veel wortels en in een laagvlakte fysische verschijnselen als krachtig en groot. Als deze plant van het hooggebergte naar de laagvlakte verplaatst word, dan zal de plant het fenotype van de laagvlakte overnemen. Als deze plant van de laagvlakte naar het hooggebergt verplaatst word, dan zal de plant het fenotype van het hooggebergte overnemen.

Voorbeeld: Of een larve zal uitgroeien tot een werkster of een koningin, hangt af van het voedsel dat deze kreeg (wel of geen koninginnenbrij).

 

11. Variabiliteit: fluctuatie

Wanneer kenmerken niet te wijten zijn aan genen, maar wel aan individuele verschillen, dan spreken we van fluctuaties. Deze zijn niet erfelijk. Een fluctuatie verdwijnd met het organisme of individu.

Voorbeeld: De peulen van de eenzelfde erwtenstruik bevatten niet allemaal evenveel erwten. Dit komt omdat er een fluctuatie is in aantal.

Voorbeeld: De bonen van eenzelfde bonenstruik zijn niet allemaal even lang. Dit komt door een fluctuatie in de lengte.

 

12. Zuivere reeks

Men spreekt van een zuivere reeks wanneer genotypische gelijke individuen bekomen zijn langs geslachtelijke weg.

Voorbeeld: Het kweken van raszuivere labradors. De nakomelingen hebben allemaal hetzelfde genotype (een labrador hond te zijn) en zijn bekomen langs geslachtelijke weg (d.m.v. voortplanting).

 

13. Kloon

Men spreekt van een kloon wanneer genotypisch gelijke individuen bekomen worden langs een ongeslachtelijke weg.

Voorbeeld: Als men een schaap kloont, is het gekloonde schaap een kopie van het origineel. Er is in dit geval maar 1 schaap (1 ouder) betrokken bij het voortplantingsproces. Dit wil ook zeggen dat de ouder en het kind genetisch identiek zijn.

Voorbeeld: Bij het stekken van een geranium, knipt men een stek van de moederplant. Bij deze stengelstek word de afgeknipte stengel in de grond gestoken zodat uit deze stengel een nieuwe geranium kan groeien, die qua genetische materiaal identiek is als de moederplant.

 

14. Dominant

Het allel dat tot uiting komt in het fenotype van heterozygote chromosomen, is dominant.

Voorbeeld: De genen van Anne bevatten het allel 'blond' en het allel 'zwart' haar. Anne heeft zwart haar, dus dit wil zeggen dat allel 'zwart' dominant is t.o.v. allel 'blond'. Dit is omdat allel 'zwart' tot uiting is gekomen in de fysische verschijning (het uiterlijk) van Anne.


15. Recessief

Het allel dat niet tot uiting komt in het fenotype van heterozygote chromosomen, is recessief.

Voorbeeld: De genen van Anne bevatten het allel 'blond' en het allel 'zwart' haar. Anne heeft zwart haar, dus dit wil zeggen dat allel 'blond' recessief is t.o.v. allel 'zwart'. Dit is omdat allel 'blond' niet tot uiting is gekomen in de fysische verschijning (het uiterlijk) van Anne.

 

16. Codominant / intermediaire factor

Als elk allel (zowel het dominant, als het recessief allel) tot uiting komt in het fenotype van de heterozygote chromosomen, spreken we van codominantie of van een intermediaire factor.

Voorbeeld: Het kruisen van een witte en een rode bloem geeft aanleiding tot een roze bloem omdat het allel 'wit' en het allel 'rood' even (of 'co') dominant zijn.

 

17. Multiple allelen

Men spreekt van multiple allelen als 1 kenmerk bepaald wordt door meerdere allelen.

Voorbeeld: De bloedgroep van een mens word bepaald door 3 allelen: A, B en O.

Samenvattend voorbeeld

  • bloedgroep A heb je als factor A dominant is over b en O.
  • bloedgroep B heb je als factor A en O recessief zijn t.o.v. van factor B.
  • bloedgroep AB heb je als factor A en B intermediair of codominant zijn.

Auteursinformatie


Geschreven artikelen: 7
Leden aangebracht: 1

Meer uit de categorie onderwijs

Teambuilding voor kinderen

Kinderen presteren op alle vlakken beter door duidelijkheid en discipline.

Universiteitsbibliotheek Binnenstad Utrecht

Een kort artikel over de Universiteitsbibliotheek in de binnenstad van Utrecht.

De goedkoopste keuken ontwerp je zelf met deze gratis 3D ontwerpsoftware

Op internet vind je allerlei kleurplaten op onderwerp gesorteerd. O.a. Disney, Pokemon, Cars, Dora, K3, Dieren, Bumba, Nijntje en nog veel meer!

Wat kan ik verwachten op de middelbare school?

Lees hier wat je moet weten VOOR je naar de middelbare school gaat!

Is de doos met knikkers van Anne Frank echt?

69 jaar na het overlijden van Anne Frank komt opeens de doos met knikkers van Anne Frank boven water, is de doos met knikkers van Anne Frank echt?