Dominicaanse Republiek

Geschiedenis van een populaire vakantiebestemming, de Dominicaanse Republiek

Gesponsorde koppelingen

De Dominicaanse Republiek is een populaire vakantiebestemming. Toch blijven veel mensen in de resorts aan de kust zitten en nemen niet de moeite wat van het land te leren kennen. Hierdoor ontnemen zij zich erg leuke en interessante kennis over een van de eerste bewoonde plekken door Europeanen in de Nieuwe Wereld. Het is daarom de bedoeling voor diegene die op vakantie willen naar de Dominicaanse Republiek een korte, maar bondige en informatieve geschiedenis te geven.

Precolombiaanse periode

De geschiedenis van de Dominicaanse Republiek begint al veel eerder dan dat de eerste Spaanse ontdekkingsreizigers voet aan wal zetten. Op het moment dat de Spanjaarden, onder leiding van de vermaarde Christopher Colombus (in het Spaans Colon genaamd), arriveerden, woonden op het eiland de Tainos. Zij waren in de loop van de decennia daarvoor, via de verschillende eilandjes die de Caribean rijk is, vanaf het vasteland van Zuid Amerika op dit eiland terechtgekomen. Veel is erover hen niet bekend, alleen dat wat de eerste Spanjaarden hebben opgeschreven. Het eiland werd, op het moment dat de Spanjaarden arriveerden,geregeerd door vijf caciques (een soort hoofdman), die elk een bepaald deel van het eiland onder controle hadden. Over de omgangsvormen tussen deze vijf is niet veel bekend. Dat er weinig geschillen en wrijving bestond tussen de groepen is aannemelijk. Enerzijds omdat de Spanjaarden spraken van een rustig en vredelievend volk, dat erg nieuwsgierig en open was naar de vreemdelingen toe. Anderzijds vanwege de geringe populatie op het eiland, waardoor er genoeg ruimte was voor iedereen. In tegenstelling tot de Tainos waren de Spanjaarden niet zo vredelievend. In een periode van ongeveer 50 jaar (1500-1550) werden de Tainos uitgeroeid. Twee belangrijke factoren speelden hierin een rol. In de eerste plaats werden de Tainos gedwongen zware lichamelijke arbeid te verrichten, zoals in de mijnbouw. Vanwege de betere en sterkere wapens van de Spanjaarden (vuurwapens, paarden, bescherming) waren de Tainos niet in staat zich hiertegen te verzetten. Degene die dat wel deden werden gedood of vluchten de bossen en bergen in. In de tweede plaats stierven er velen, zoals elders in Noord en Zuid Amerika het geval was, door de ziekten die door de Spanjaarden meegebracht werden. Naar de hoeveelheid Tainosdie erwoonden op het moment dat de Spanjaarden arriveerden blijft het gissen. Sommigen spreken van duizenden anderen van honderdduizenden. Tegenwoordig is de Taino cultuur nog wel aanwezig in de Dominicaanse Republiek. Er zijn niet zoals in de Andes landen afstammelingen van de Tainos, maar bepaalde gebruiken, maaltijden en productiewijzen zijn nog steeds aanwezig. Zoals onder andere het pottenbakken in de regio van Santiago, de tweede stad van het land, en bepaalde gerechten als yuca (cassave). Hoe deze meer dan 500 jaar hebben overleefd is niet duidelijk, maar wel kan worden vastgesteld dat het de slaven zijn geweest die een deel van deze cultuur hebben overgenomen.

Hispaniola

Colombus 'ontdekte' de Nieuwe wereld op 12 oktober 1492. Het is niet helemaal duidelijk welk eiland als eerste werd ontdekt, maar men gaat het ervan uit dat het een van de eilandjes was die tegenwoordig bij de Bahama's horen. Vandaar uit voer hij door naar de noordwest kust van Cuba, waar hij geen geschikte plek kon vinden om aan te meren. Hierdoor voer hij door en kwam hij aan de noordkust van de huidige Dominicaanse Republiek terecht. Hier vestigde hij de eerste Europese nederzetting van de Nieuwe wereld, La Isabella, vernoemd naar koninigin van Spanje. Niet veel later, rond 1500, werd aan de zuidkust een tweede nederzetting gevestigd, Santo Domingo. Dit zou de eerste stad van de Spanjaarden in de Nieuwe wereld worden, waarin de eerste kathedraal, universiteit en bestuursraad gevestigd werden. Vanuit Santo Domingo zouden de Spanjaarden de rest van Midden en Zuid Amerika verkennen en veroveren. Het eiland werd dan ook Hispaniola genoemd, de eerste kolonie van Spanje in de Nieuwe wereld. In de eerste vijftig jaar van haar bestaan groeide de kolonie uit tot de plek waar iedereen en alles samenkwam, maar naarmate de Spanjaarden meer in handen kregen, verloor Hispaniola haar positie. Zo groeide Cuba (en La Havana) uit tot het nieuwe centrum waar vanuit de rest van Amerika veroverd moest worden. Nadat in de tweede helft van de zestiende eeuw bleek dat op Hispaniola ook geen edelmetalen te vinden waren, werd het nog minder interessant voor de Spanjaarden. Zo verloor Hispaniola en haar hoofdstad Santo Domingo al vrij snel de belangrijke positie die het in de eerste jaren van de conquista had. Vanaf dat moment kon het eigenlijk nog maar alleen teren op het feit dat zij de eerste stad was, met de eerste kathedraal enzovoort. Veel handel was er niet en er bestond geen grote bevolking. Zeker nadat de Spaanse autoriteiten rond 1600 een decreet hadden uitgevaardigd dat iedereen die in het noordoosten en oosten van het eiland woonde, zich moest vestigen in het zuidwesten en westen. De Spanjaarde hoopten hiermee de smokkelhandel die gaande was met de protestante en vijandige naties, Engeland, Nederland en Frankrijk, terug te dringen. Het enige wat deze volksverhuizing opleverde was dat het noordoosten en oosten bewoond kon worden door andere Europeanen, voornamelijk Fransen. Waardoor in de loop der tijd dit een Franse kolonie werd en het eiland in tweeën werd gedeeld. Tot en met het einde van de acttiende eeuw bleef het Spaanse deel van het eiland, Santo Domingo, een achtergesteld gebied binnen de koloniën die Spanje had in Zuid Amerika. Er verschenen maar een paar schepen per jaar in de haven, de bevolking bestond uit een kleine groep blanken die in de paar (kleine) steden woonden en een groep slaven en mestizos. Deze laatsten verbouwden vooral kleine hoeveelheden producten voor zichzelf. Er bestond bijna geen interne handel en vanwege het Spaanse beleid dat er geen handel met andere landen gevoerd mocht worden, was er ook bijna geen externe handel. De situatie veranderde in 1789 toen de Franse revolutie uitbrak. Het gevolg was dat op het Franse deel van het eiland, Saint Dominque, de mestizos en slaven ook om gelijke rechten begonnen te vragen. Nadat dit niet werd ingewilligd kwamen zij in opstand. Dit resulteerde in een tienjarige oorlog, waarbij elke keer verschillende allianties gesloten werden en het Spaanse gedeelte van het eiland betrokken raakte in de strijd. Uiteindelijk resulteerde dit in de eerste onafhankelijke, zwarte staat van Zuid Amerika, Haiti, in 1804. Het Spaanse gedeelte bleef een kolonie van Spanje, korte tijd ook een Franse kolonie, totdat in 1822 de toenmalige president van Haiti Boyer het Spaanse deel veroverde en het hele eiland onder bestuur kwam te staan van de Haitianen.

Onafhankelijkheid

In eerste instantie werden de Haitianen met gemengde gevoelens ontvangen. Onder een deel van de bevolking, de zwarten en mestizos, bestond het idee dat er voor hun meer rechten zouden komen, terwijl bij de blanke bevolking de angst bestond dat zij al hun rechten en beztingen zouden verliezen. Maar naarmate de regering Boyer meer macht naar zich toe trok en het westelijk deel van het eiland wilde gebruiken om het overbevolkte oostelijke deel te verlichten, nam de onvrede toe onder de Spaanstalige bewoners. Daarnaast vormden de taalverschillen, maar ook de grote cultuurverschillen tussen de twee delen een onoverbrugbare kloof. Het oostelijke deel, Haiti, bestond vooramelijk uit ex-slaven die een nog sterke Afrikaanse cultuur hadden en Frans en creools spraken, terwijl de bevolking in het westelijke deel Spaans sprekend was,cultureel gezien erg gericht was op Spanje en grotendeels gemengd was. Het gevolg was dat er verschillende bewegingen ontstonden die allemaal af wilden van het Hatiaanse gezag, maar over het wat daarna van mening verschilden. Sommigen wilden terug naar de situatie zoals die daarvoor was, als kolonie van Spanje, maar anderen wilden onafhankelijkheid en een aparte Dominicaanse staat. Sinds de Franse revolutie was er namelijk een Dominicaans bewustzijn ontstaan onder een deel van de bevolking, mede als gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd die gevoerd werd in de rest van Zuid Amerika. Het Dominicaans zijn werd sterk gekoppeld aan twee dingen; het katholicisme en het hispanisme. Veel Dominicanen voelden zich verbonden met de Spaanse cultuur en zagen daarom weinig in de Haitiaanse wensen van één zwarte staat. Wel wilde zij een onafhankelijke staat. In de loop van de jaren dertig van de negentiende eeuw ontstond in Santo Domingo een beweging, La Trinitaria, geleid door de ideeën van de Franse revolutie. Deze beweging werd geleid door Juan Pablo Duarte, een Dominicaan geboren uit Spaanse ouders, zoals velen op dat moment in Santo Domingo (en andere delen van Zuid Amerika). Samen met anderen werkte hij aan een grondwet voor de nieuwe staat en aan het verkrijgen van steun onder de bevolking, vooral onder de grote grondbezitters in het westen van het land. Op 27 februari 1844 vonden de leden van La Trinitaria dat de tijd rijp was voor het uitroepen van de onafhankelijkheid, zonder de aanwezigheid van Duarte die zich op dat moment in ballingschap op Curacao bevond. Het gevolg was een jarenlange oorlog tegen de Haitianen, die uiteindelijk rond 1853 gewonnen werd, waarna de Dominicaanse Republiek een feit was. Wel bleef de nieuwe Republiek kampen met de meningsverschillen over de toekomst van het land die onder de Haitiaanse heerschappij al bestonden. Zo wilde een groep, voornamelijk onder de grootgrondbezitters en een deel van de stedelijke elite, dat de republiek terugkeerde in de moederschoot van Spanje. Zij waren van mening dat de Dominicaanse Republiek, met haar kleine bevolking en weinig tot geen handel, niet in staat was zichzelf te regeren. Deze groep werd geleid door Pedro Santana, de succesvolle generaal tijdens de onafhankelijkheidsoorlogen tegen Haiti en verscheidende keren president. Een andere groep, onder leiding van Buenaventura Baez, was van mening dat de republiek ook niet in staat was zichzelf te regeren, maar zij wenstte liever Frankrijk (en later de Verenigde Staten) als de nieuwe machthebber. Uiteindelijk lukte het Santana om in 1861 de Spanjaarden zover te krijgen om met een expeditieleger van de Dominicaanse Republiek weer een kolonie te maken. Maar toen was het voor het gros van de bevolking al duidelijk dat zij een onafhankelijke natie wilde zijn. Vier jaar lang werd er gevochten tegen de Spanjaarden om de onafhankelijkheid weer terug te krijgen. Tijdens deze strijd werden ook de verschillen binnen de prille natie duidelijk. Zo was men vooral in het noorden, in de vallei van het Cibao en de stad Santiago, veel nationalistischer en gekant tegen de bezetting dan in het westen en het zuiden, in de hoofdstad Santo Domingo. Vandaag de dag zijn deze verschillen nog redelijk zichtbaar. Zo bestaat het zuiden en het westen voornamelijk uit grootgrondbezit, terwijl in het noorden het kleinschalige grondbezit de overhand heeft. Uiteindelijk lukt het de Dominicanen om de Spanjaarden te verdrijven en in 1865 werd de Dominicaanse Republiek weer een onafhankelijke natie. Vanaf dat moment begon eigenlijk de zwaarste klus voor de Dominicanen; het opbouwen van een stabiel, modern en welvarend land (de wens van de nationalistische elite). Erg voorspoedig verliep dit niet. In plaats van een stabiele regering en bestuur ontstond er chaos, doordat verschillende caudillos elkaar bevochten om de macht. Pas toen in de jaren tachtig van de negentiende eeuw Lilis Hereaux aan de macht kwam, keerde de rust enigszins terug. Alleen ging dit ten koste van vrijheden en rechten. Hereaux ontpopt zich namelijk als een dictator die de teugels stevig in handen had en door middel van omkoperij en terreur de verschillende caudillos onder controle wist te houden. In 1899 wordt hij vermoord en keert de chaos en wanorde weer terug in de Dominicaanse politiek.

Amerikaanse bezetting en dictatuur

Doordat de Dominicaanse regeringen in de tweede helft van de negentiende eeuw veel geld hebben geleend bij Europese en later Amerikaanse banken, beginnen deze zich te bemoeien met de situatie in de Dominicaanse Republiek. Voor de Verenigde Staten, die vanaf 1900 een semi imperialistisch beleid voeren in Zuid Amerika, en dan vooral de Caribean, is het van groot belang dat in de landen zo dicht bij hun grenzen rust en stabiliteit heerst. Dit argumentis dan ookvooral bedoeld om meer invloed te krijgen in de kleinere naties. In 1900 hebben zij namelijk informeel bezit genomen van Cuba en formeel van Puerto Rico. Na verschillende presidenten die komen en gaan besluiten de Amerikanen om in 1916 het land te bezetten, met als argument om het land te moderniseren en te ontdoen van alle corrupte onderdelen. Tot het vertek van de Amerikanen in 1924, weten zij het land daadwerkelijk te moderniseren. Zij leggen wegen aan tussen de grootste steden, bouwen bruggen, voorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen, ontwapenen de bevolking en creeren één nationaal leger naar voorbeeld van hun eigen National Guard. Hiermee maken zij een einde aan de verschillende legertjes van de caudillos en creerden zij een stabiele situatie, waarbij alles beter geregeld kan worden vanuit de hoofdstad Santo Domingo. Nog voordat de Amerikanen vertrokken zijn vinden er verkiezingen plaats en wordt er een nieuwe president gekozen, Horacio Vasquez. Al snel na het het vertrek van de Amerikanen vervalt de politieke situatie weer terug in haar oude grillen en grollen en ontstaat er een discussie over het presidentschap van Vasquez – economisch gezien gaat het dankzij de gedane investeringen beter. Hij heeft door middel van een wetswijzing voor elkaar gekregen dat de presidentstermijn verlengt werd van 4 tot 6 jaar. Het gevolg was dat liberalen besluiten om nog voor de verkiezingen van 1930 een staatsgreep te plegen en nieuwe verkiezingen uit te vaardigen. Hierbij kregen zij indirect de steun van de bevelhebber van het leger, Rafael Leonidas Trujillo. Nadat de liberalen onder leiding van Rafael Estrella Ureña de verkiezingen hebben gewonnen, wordt de feitelijke macht overgenomen door Trujillo. Dankzij de hulp van de Amerikanen is Trujillo in staat geweest om het nationale leger naar zijn hand te zetten en via tactische en slinkse wijzen weet hij het ook voor elkaar te krijgen dat niet Estrella Ureña, maar Trujillo zelf in 1930 wordt geinaugureerd als de nieuwe president. Hiermee begon een dictatuur die bijna 31 jaar lang zou duren en door zou dringen in alle facetten van het Dominicaanse leven. Hele generaties groeiden op met het idee dat Trujillo de vader des vaderlands was, dat hij de Dominicaanse Republiek gemoderniseerd heeft en ervoor gezorgd heeft dat de Dominicanen trots werden op zichzelf en hun natie. In werkelijkheid werd Trujillo door middel van terreur en intimidatie, de alleenheerser en eigenaar van de Dominicaanse Republiek. Meer dan de helft van de industrie en de landbouw kwam in de handen van hem of zijn familie, de andere helft werd ofwel geleid door Amerikanen ofwel door ondernemers loyaal en afhankelijk van Trujillo. Op 30 mei 1961 wordt Trujillo vermoord door zes personen, die of nog voor hem werkte of voor hem hadden gewerkt. Zij vormden deel van een klein deel van de Dominicaanse bevolking die het ergste leed onder de dictatuur, de stedelijke middenklasse. Op het platteland was Trujillo, dankzij zijn hulp aan de boeren, populair en bleef hij dat ook lang na het einde van zijn dictatuur. Met de dood van Trujillo probeerde zijn familie nog aan de macht te blijven, maar mede door druk vanuit de Verenigde Staten kozen zij eieren voor hun geld en verdwenen (samen met een kapitaal van ongeveer 300 miljoen dollar!) naar het buitenland.

Revolutie, stabiliteit en democratische onstabiliteit

Na 32 jaar waren er in 1962 weer vrije verkiezingen. Deze werden gewonnen door Juan Bosch van de Partido Revolutionario Dominicano (PRD, Dominicaanse Revolutionaire Partij). Bosch richtte deze partij tijdens de dictatuur op, met als bedoeling om zodra de dictatuur voorbij was de mogelijkheid te hebben zijn land een sociaal-democratisch karakter te kunnen geven. Bosch was alleen meer een filosoof en een dromer dan een politicus en hij schatte daarom de Dominicaanse mentaliteit en de positie van het leger (dat nog deels geleid werd door Trujillo aanhangers) verkeerd in. Nog geen acht maanden nadat hij de verkiezingen gewonnen had, werd hij door een militaire en burgerlijke (voornamelijk ondernemers) staatsgreep afgezet. De VS hadden hiermee ingestemd, vanwege de vermeende communistische trekken bij Bosch en zijn regering. Bosch werd opgevolgd door een triumviraat, dat al snel geleid werd door Ronald Reid Cabral, een ondernemer met goede connecties in de Verenigde Staten. Al vrij snel na de staatsgreep, nam een castristische groep de beslissing om een guerilla te beginnen in de bergen, naar Cubaanse voorbeeld. Deze opstand werd in enkele maanden vernietigd. Toch kende Cabral niet alleen vijanden bij deze groep. Zowel de PRD als bepaalde stromingen binnen het leger waren het erover eens dat de eerlijk gekozen regering en constitutie van Juan Bosch hersteld moest worden. Na een periode van bijna twee jaar plannen, brak op 24 april 1965 een revolutie uit in de hoofdstad Santo Domingo. Deze werd geleid door linkse figuren in het leger en de PRD. Binnen een dag was Cabral afgezet en was er een provisitorische regering geïnstalleerd die de terugkomst van Juan Bosch moest afwachten. Éèn deel van het leger verzette zich echter, geleid door generaal Wessin y Wessin, een Trujillo commandant. Hij was de bevelhebber over een deel van het reserveleger en de luchtmacht en voerde nadat de presidentiële paleis was ingenomen bombardementen op de stad en stuurde troepen de stad in. Na twee dagen van hevige straatgevechten, waarbij de rebellen ofwel ‘constitutionalisten,’ zoals zij zichzelf noemden, gewapende burgers onder de geledingen hadden, kregen dezelfde rebellen de overhand en was een overwinning nabij. Intussen waren in Washington de alarmbellen gaan klinken en werd er gesproken over Castristische en communistische invloeden binnen de leiding van de rebellen. Hierop besloten de Amerikanen om op 28 april troepen in de Dominicaanse Republiek aan wal te zetten om daarmee een ‘tweede Cuba’ te voorkomen. De officiële reden was om Amerikaanse staatsburgers en andere niet-Dominicaanse burgers te evacueren. Uiteindelijk waren er meer dan 20.000 Amerikaanse militairen aanwezig in de Dominicaanse Republiek, meer dan de Verenigde Staten op dat moment in Vietnam hadden. Het gevolg van deze aanwezigheid was dat de rebellen hun relatieve goede positie verloren ten opzichte van de aan Cabral loyaal gebelven militairen. Na maanden van gevechten, wapenstilstanden en onderhandelingen werd er uiteindelijk afgesproken dat er een tijdelijke regering gevormd zou worden onder leiding van Garcia Godoy, een voor beide partijen acceptabele kandidaat, die de verkiezingen in 1966 zou voorbereiden. Zo keerde voor het eerst sinds de dood van Trujillo eindelijk even de rust terug. In 1966 wist Joaquin Balaguer, een loyale medewerker van Trujillo en president op het moment dat Trujillo vermoord werd, de verkiezingen te winnen. Tot 1978 wist hij elke verkiezing te winnen en stabliteit en economische groei te bewerkstelligen. Dit ging wel gepaard met een autoritair bewind, waarbij ongeveer 5000 mensen het leven verloren. Dat het hierbij om een autoritair en niet een dictatuur ging, maakten de verkiezingen van 1978 duidelijk. In dat jaar won de PRD ruimschoots de verkiezingen en mocht zij het voor een tweede keer proberen. Dit keer verviel de PRD in de traditionele fout die inherent lijken voor Dominicaanse politici, corruptie. Verder kreeg deze regering te maken met een hevige economische crisis in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Desondanks wisten zij opnieuw de verkiezingen te winnen, maar na vier jaar bleek de partij net zo corrupt te zijn als diegene die zij sinds de jaren zestig hadden beschuldigd van corruptie. Zo groeide de Dominicaanse Republiek sinds 1978 uit tot een democratische, maar instabiele staat. Er werden om de vier jaar verkiezingen gehouden (met een uitzondering in 1994 toen Balaguer probeerde langer aan de macht te blijven), maar fundamentele veranderingen bleven uit. De Dominicaanse politici vielen terug in een gedrag dat in perspectief gezien ook werd geuit door hun collega’s vóór de Amerikaanse bezetting van 1916. Het caudillismo was en is niet verdwenen en paternalistische structuren, zoals die sinds de Spaanse heerschappij aanwezig waren, vormen nog altijd een belangrijk aspect in de huidige Dominicaanse samenleving. Wel zijn de Dominicanen in staat geweest, ondanks de negatieve ideeën van een deel van de geletterde bevolking, om hun onafhankelijkheid te behouden en ondanks de vele slechte en wreedaardige leiders van het land, een heel vreugdevol en gastvrij volk te blijven.

Gesponsorde koppelingen

Auteursinformatie

Naam: TupacAmaru2
Geschreven artikelen: 2
Leden aangebracht: 0

Reacties