Humanitaire interventie: Franse interventie in het Centraal Afrikaans keizerrijk (1979), Deel III


Publicatie datum:

Bokassa, Centraal-Afrikaanse Republiek, Essay, Geschiedenis, Humanitaire Interventie

Gesponsorde koppelingen

Vervolg op vervolg op Humanitaire interventie: Franse interventie in het Centraal Afrikaans keizerrijk (1979), Deel II.

Gesponsorde koppelingen

Partir c'est mourir un peu – Jean-Bédel Bokassa en het verhaal van zijn vorming
Jean-Bédel Bokassa (22 februari 1920 – 3 november 1996) is een jongen wiens jeugd grote overeenkomsten vertoont met die van Boganda. Hij komt ter wereld in hetzelfde dorp, is ook een M’Baka (familie van Boganda en Dacko), ook Bokassa’s vader wordt doodgeslagen door de Franse onderdrukker en ook hij belandt daarop als wees op een missionarisschool. Maar waar Boganda een erg leergierige en behulpzame inborst heeft, wordt Bokassa door de leraren omschreven als ‘te ongeduldig voor het priesterschap’. In hetzelfde jaar dat Boganda zich wijdt aan het priesterschap, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, schrijft Jean-Bédel zich in voor het Franse Leger.
Wanneer Frankrijk onder de voet wordt gelopen door de Duitsers in Mei 1940, zweren alle (voormalige) koloniën trouw aan het collaborerende Vichy Frankrijk, met uitzondering van één: voormalig Frans Equatoriaal Afrika, waar de C.A.R. ook toe behoort, geeft gehoor aan de oproep van de in London ondergedoken generaal DeGaulle. Bokassa trekt samen met het Franse leger ten strijde tegen de Duitse troepen in Noord-Afrika en maakt snel promotie. In juli 1940 wordt hij benoemd tot korporaal, in november een jaar later is hij sergeant1. Hij helpt de Franse troepen in 1944 mee Europa te bevrijden en besluit ook na de oorlog in dienst te blijven.
Hij specialiseert zich in radiotransmissie en vecht in de jaren 50 mee aan Franse zijde in de antikoloniale gevechten in Indochina. Hier doet hij zijn liefde voor Aziatisch schoon op en verwekt z’n eerste kind. In ’53, een jaar voor de catastrofale nederlaag bij Dien Bien Phu, wordt hij teruggeroepen uit actieve dienst en wordt hij gestationeerd in Europa. Dankzij zijn vermogen vloeiend Frans en Sagon (lokale taal in de C.A.R.) te spreken, wordt hij aangewezen om les in radiotransmissie te geven aan Afrikaanse soldaten. Hier doet hij ervaring in leiderschap op. Hij promoveert in ’56 tot tweede luitenant en in ’58 tot luitenant eerste-klasse. Bokassa’s snelle promotie in het Frans echelon wordt mogelijk gemaakt door een combinatie van factoren. Enerzijds vertoont hij grote vaardigheid en moed in gevecht, anderzijds voert Frankrijk in reactie op de koloniale onrusten een beleid waarin Afrikaanse soldaten betere promotiekansen zouden krijgen. En of het er uit voorkomt of er de oorzaak van is: de promoties leiden bij Bokassa tot een sterke drang naar erkenning en onderscheiding. In ’59 wordt hij gestationeerd in Bangui en is daarmee na twintig jaar weer terug op eigen bodem.
De jonge republiek begint inmiddels vorm te krijgen en met de terugkeer van z’n achterneef benoemt Dacko Bokassa in ’64 tot de enige kolonel van het Centraal-Afrikaanse leger – een leger dat uit 500 slecht getrainde mannen bestaat. Al snel komt er wrijving tussen Bokassa en Dacko. Bokassa, ijdel en hongerig naar macht, aast al snel op de ultieme politieke positie : die van Dacko. Omdat Dacko zich ongemakkelijk begint te voelen onder de machtshonger van zijn neef, richt hij in ’65 een gewapende politiemacht op zichzelf te beschermen tegen de potentiële dreiging van het leger.
In hetzelfde jaar zoekt de regering van Dacko steun bij de Volksrepubliek China. Officieel op aandringen van de MESAN, officieus om alternatieven te zoeken op de afhankelijkheid van tekortschietende Franse steun. China komt over de brug met 1 miljard CFA (Centraal Afrikaanse Franc – wisselkoers 50:1 Franse Franc2) , maar het is niet genoeg om het begrotingstekort van de C.A.R. weg te werken. Als in hetzelfde jaar door de onrusten in het naburige Kongo de regering incapabel blijkt haar eigen bevolking te beschermen tegen rondtrekkende rebellen, is de onvrede over Dacko’s bestuur zowel in de C.A.R. als in Frankrijk merkbaar.
In de C.A.R. komt het tot openlijke botsingen tussen Dacko en Bokassa. Bokassa’s onvrede over Dacko’s beleid – het weigeren van een groter budget voor het leger in het specifiek- komt tot een climax op de laatste avond van 1965. Dacko viert die avond oud en nieuw op een plantage van een bevriende Franse exploitant. Wanneer Dacko het regeringspaleis verlaten heeft, geeft Bokassa het signaal aan ‘zijn’ leger om belangrijke posities in de stad in te nemen. Tegen middernacht is Bangui in zijn handen. Op 1 januari 1966 laat hij het bericht verspreiden dat Dacko is afgetreden en dat hij, Kolonel Jean-Bédel Bokassa, vrede en stabiliteit zal brengen in het door corruptie geplaagde land.

Dieu et mon droit – Bokassa’s droom en de Franse steun
De coupe gaat de geschiedenis in als de “Saint Sylvestre Coupe”; een relatief bloedloze coupe met ‘slechts’ 8 doden. Om legitimiteit aan de coupe te geven, vooral ten overstaan van het buitenland, stelt Bokassa Dacko te hebben verwijderd om zijn corruptie te bestrijden en de C.A.R. te verlossen van de ex-president zijn geflirt met communistisch China – een gevoelig argument. Erkenning door buurlanden volgt snel. Het moederland twijfelt lang, zeker omdat DeGaulle eerst wil kijken wat voor vlees hij in de kuip heeft, en volgt pas bijna een jaar later wanneer Bokassa in November uitgenodigd wordt in het Elysée.

In eerste instantie lijkt het beleid van Bokassa daadwerkelijk gericht op verbetering en modernisering van de C.A.R. Hij voert een aantal hervormingen door, wint de steun van de vrouwenemancipatie bewegingen met een aantal wetten en onder zijn leiderschap stijgt het BNP met 10%3. Hij verbetert de infrastructuur en richt een nationaal muziekensemble op. Ook verbeterd hij de betrekkingen met Frankrijk door een aantal concessies te doen en financiële voordelen (land, exploitatierechten, fiscaal voordeel) te vergeven aan Franse coöperaties. Maar de ware aard van de kersverse alleenheerser zou snel duidelijk worden.
Niet lang na zijn machtovername, ontpopt Bokassa zich tot een tirannieke, maar zeer strategische leider. Zelfverrijking en wreedheid voeren de boventoon in zijn beleid. Om de gunst van Frankrijk te behouden ´smeert´ hij de verbintenis door diplomaten en leiders diamanten en voorkeursbehandelingen te schenken. Als DeGaulle aftreedt, vreest Bokassa voor z´n relatie met het moederland. Gelukkig vind hij steun bij Valéry Giscard d'Estaing (2 februari 1926 - ), kleinzoon van de eerder genoemde grootaandeelhouder in de C.A.R. en minister van economische zaken onder het kabinet Pompidou.
Tussen 1970 en 1975 gaat meer dan 48% van de export der C.A.R. naar Frankrijk; 58% van de importgoederen komen uit dit land4. Maar hoewel de economische relatie wel vaart, verkilt de politieke relatie tussen beide landen. Wanneer in 1970 DeGaulle overlijdt, vreest Frankrijk dat Bokassa hulp zal zoeken bij de Sovjets en schuift Giscard d’Estaing naar voren om hem bij de hand te nemen. Dit zal het begin zijn van een lange, omstreden vriendschap. Tussen 1970 en 1974, de regeerperiode van regering Pompidou, verwatert het contact tussen de C.A.R. en Frankrijk – Pompidou ziet in Bokassa vooral een verwarde tiran, geen serieuze samenwerkingspartner. Bokassa zoekt alternatieve weldoeners om los te komen van Franse steun. Hij vindt deze in de Sovjetunie, Roemenië en flirt nog kort met het Libische bewind van kolonel Ghadaffi.
In ’74 eindigt het bewind van Pompidou en wordt in Frankrijk Giscard d’Estaing benoemd tot president. Giscard blijkt een strateeg die er enkel op uit is om zijn regering en zichzelf financieel te verrijken. Hij ziet de economische waarde van de C.A.R. in, waar niet lang daarvoor grote hoeveelheden uranium zijn gevonden vlakbij Bangui. Niet alleen heeft deze strategische hulpbron directe waarde voor Frankrijk, Giscard wil ook voorkomen dat deze grondstof in handen valt van ‘foute’ regimes als bijvoorbeeld de Libische. Uranium zou de verzekering blijken van Bokassa’s buitenlandbeleid.
De vriendschap tussen beide staatsheren groeit gestaag. Voor Bokassa, hongerig naar erkenning, is deze band een sein dat hij nu kan doen en laten wat hij wil. En dat doet hij. Naar voorbeeld van naburige landen besluit hij in 1975 zich te laten kronen tot keizer. Een feitelijk verschil qua invloed heeft dit niet: Bokassa neemt tussen 1969 en 1976 de meest belangrijke ministerposten in en vergroot daarmee zijn macht tot keizerlijke proporties. Na informatie te hebben ingewonnen bij bestaande keizerrijken (Iran, Japan, Ethiopië), besluit Bokassa in 1977 het keizerrijk uit te laten roepen.
De geplande ceremonie zal op 4 december 1977 voltrokken worden. Bokassa’s megalomanie wordt nog eens benadrukt door de weelde waarin hij zich zal laten kronen: een massief gouden adelaarstroon, een kroon van omgerekend 2.5 miljoen dollar, grootse optochten en een hermelijnen mantelsleep van ruim 9 meter lang. De hele ceremonie zou uiteindelijk meer dan een kwart van het budget van het economisch zwakke land opslokken5. Vooral dit laatste is een gegeven waar in de wereldpers met opgetrokken wenkbrauw naar gekeken wordt. Voor de ceremonie zelf nodigt hij 2500 buitenlandse gasten uit, waaronder de leiders van vele landen. Slechts 600 reageren, waarvan de minister president van Mauritius de ‘hoogste’ aanwezige zou zijn. De overige leiders, Giscard incluis, weigeren te verschijnen en distantiëren zich daarmee van Bokassa. Dit kenmerkt het sentiment van de wereld tegenover Bokassa eind ’77.
Vanaf de kroning gaat het bergafwaarts. De C.A.R. zit met een enorm begrotingstekort door tegenvallende economische cijfers vanaf 1972. De wereldpers staat afkeurend tegenover Bokassa en zijn regime, maar Giscard trekt zich niks aan van deze kritiek en behoudt de steun aan het land Bokassa zelf begint het financiële tekort ook te voelen, en kondigt in 1978 een wet af die het alle leerlingen in het land verplicht stelt zich te hullen in een door één van Bokassa’s bedrijven geproduceerd uniform, met intrekken van studiebeurzen als repercussie bij ongehoorzaamheid. Dit werd door de scholieren niet geaccepteerd, vooral omdat de kosten van de uniformen ver boven de prijs liggen die een gemiddeld gezin kan opbrengen.

1 Titley, 9

2 Titley, 23

3 D. Ghura en B. Marcerea, IMF Working Paper “Poltical Instability and Growth: The Central African Repbulic”, (2008), pagina 10

4 Titley, 65

5 Titley, 97


Auteursinformatie


Geschreven artikelen: 7
Leden aangebracht: 0

Meer uit de categorie verslagen-scripties

Globalisering in het wereld voedsel vraagstuk.

Hoe komen sommige producten hier? Waar komen ze weg, en waarom daar?

Aardrijkskunde - Wereld

Aardrijkskundige begrippen en uitleg.

Volkenrecht - Genocide in Bosnië

Genocide in Bosnië wat 200.000 mensen het leven heeft gekost

Needs worden gecreeerd

Er wordt in dit artikel ingegaan op de stelling: Needs of behoeften van consumenten worden gecreeerd. Dit wordt gedaan vanuit het oogpunt van de producent.

Democratie in Athene

Hoe democratisch was de polis Athene?